Verwerping Nederlandstalig college

Verwerping UDN-vordering raamovereenkomst busvervoer Overijse: handgeschreven opmerkingen op inventaris met voorwaarden bij prijzen en capaciteit vormen substantiële onregelmatigheid — mogelijkheid tot verduidelijking is geen verplichting en geen ongelijke behandeling aangetoond

Arrest nr. 265269 · 22 december 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwierp de UDN-vordering van BV B. tegen de substantieel onregelmatigverklaring van haar offerte voor de multilaterale raamovereenkomst busvervoer van de gemeente Overijse, omdat de aanbestedende overheid binnen haar beoordelingsruimte bleef door de handgeschreven opmerkingen op de inventaris — met voorwaarden bij de prijzen, afwijkende capaciteitsopgave en beperkte vertrek- en aankomsturen — als substantiële onregelmatigheid te kwalificeren die de vergelijkbaarheid met andere offertes onmogelijk maakte, de mogelijkheid tot verduidelijking op grond van artikel 66, § 3, geen verplichting is, en de verzoekende partij niet aantoonde dat er sprake was van ongelijke behandeling.

Wat gebeurde er?

De gemeente Overijse plaatste een multilaterale raamovereenkomst busvervoer in de markt met een maximale looptijd van 48 maanden. Het bestek voorzag in drie percelen: geregeld busvervoer, ongeregeld busvervoer en busvervoer tijdens paas- en zomervakantie. Er was ook een optionele overname van drie gemeentebussen. De opdracht was een opdracht tegen prijslijst, waarbij de prijs het enige gunningscriterium was. Drie inschrijvers dienden een offerte in, waaronder BV B. De inventaris bevatte posten met vermoedelijke hoeveelheden en ruimte voor eenheidsprijzen en totaalprijzen. De posten 1.1 tot en met 1.5 (perceel 1) verwezen voor hun concrete omschrijving naar bijlage C met de gedetailleerde planning per weekdag — vertrek- en aankomstuur, zitplaatsen, haltes en kilometers per rit. De posten 2.1 en 2.2 vermeldden de vereiste capaciteit: respectievelijk 49 + 30 personen en 33 personen, voor het vervoer van kinderen op woensdagmiddagen naar het gemeentelijk vrijetijdscentrum Kamp Kwadraat. Voorafgaand aan de indiening vroeg BV B. verduidelijking over de interpretatie van '49 + 30 plaatsen'. De verwerende partij antwoordde dat het om 49 + 30 zitplaatsen ging, te voorzien door één of twee bussen afhankelijk van de grootte. In een e-mail van 14 oktober 2025 gaf de verwerende partij aan dat met het oog op de vergelijkbaarheid moest worden uitgegaan van het inzetten van één grote bus. BV B. plaatste handgeschreven opmerkingen op de inventaris. Op perceel 1, post 2.1 schreef zij: 'prijs geldig voor 43 zit en 24 staanplaatsen, dit volstaat voor de dienst' — een afwijking van de vereiste 49 + 30 zitplaatsen. Op perceel 2 plaatste zij twee opmerkingen: (1) dat voor verschillende posten de prijzen konden worden verminderd naargelang de praktische details, en (2) dat de prijzen enkel geldig waren indien vertrek vanaf 8u40 en terug in Overijse vóór 14u40 — een afwijking van de in bijlage C vastgelegde vertrek- en aankomsturen. Op 28 oktober 2025 nam de gemeente de gunningsbeslissing. De offerte van BV B. werd substantieel onregelmatig verklaard op vier gronden: de prijzen waren niet gebaseerd op de bepalingen van de inventaris maar op eigen aannames en ervaringen uit het verleden; de opgegeven prijzen waren vaak voorwaardelijk; dergelijke voorwaarden waren niet conform het bestek en maakten de offerte onvergelijkbaar; en tijdens gesprekken bleek dat de inschrijver onvoldoende garanties kon bieden inzake vereiste kennis van het Nederlands bij de chauffeurs. BV B. stelde op 18 november 2025 een UDN-vordering in met drie middelen. In het eerste middel betoogde zij dat haar offerte niet substantieel onregelmatig was en dat de verwerende partij haar een kans tot verduidelijking had moeten bieden, terwijl dit wel aan een andere inschrijver was toegestaan. De Raad van State onderzocht de eerste grief en oordeelde dat de aanbestedende overheid op het eerste gezicht binnen haar beoordelingsruimte bleef. De handgeschreven opmerkingen op de inventaris — voorwaarden bij de prijzen, afwijkende capaciteitsopgave en beperkte vertrek- en aankomsturen — vormden op het eerste gezicht voorwaarden die de vergelijkbaarheid met andere offertes onmogelijk maakten. Aangezien deze onregelmatigheden betrekking hadden op de prijs of prijsopgave — te meer daar de prijs het enige gunningscriterium was — bleef de verwerende partij binnen haar appreciatieruimte door te oordelen dat het substantiële onregelmatigheden waren in de zin van artikel 76, § 1, derde lid, KB 18 april 2017. De verzoekende partij gaf weliswaar een eigen beoordeling van haar opmerkingen, maar maakte hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij de grenzen van haar beoordelingsruimte te buiten ging. Deze op het eerste gezicht wettig bevonden motieven waren afdoende, zodat de verzoekende partij geen belang meer had bij haar kritieken op de overige overwegingen. Over de tweede grief — het niet bieden van een kans tot verduidelijking — oordeelde de Raad van State dat de mogelijkheid van artikel 66, § 3, eerste lid, geen verplichting is, ook niet samen genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel. De bewering van ongelijke behandeling vond geen steun in het administratief dossier: aan alle inschrijvers, inclusief BV B., waren vragen tot verduidelijking gesteld, maar aan geen enkele inschrijver was de mogelijkheid geboden tot het rechtzetten van substantiële onregelmatigheden. Bovendien leende de mogelijkheid van artikel 66, § 3, zich niet tot het regulariseren van de vastgestelde substantiële onregelmatigheden. In het tweede middel betoogde BV B. dat de verwerende partij had nagelaten te onderzoeken of de gekozen inschrijvers voldeden aan de selectiecriteria. De Raad van State stelde vast dat het verslag van nazicht van de offertes — integraal hernomen in de gunningsbeslissing — een volledige titel wijdde aan uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie, met een samenvattende tabel waaruit bleek dat alle inschrijvers voldeden. De verzoekende partij liet om eigen redenen na dit stuk in haar kritiek te betrekken. In het derde middel betoogde BV B. dat geen prijs- en kostenonderzoek was gevoerd. De Raad van State stelde vast dat uit het verslag van nazicht bleek dat een prijsonderzoek was gevoerd, met vermelding van de gehanteerde methodiek en conclusies. De verzoekende partij ging ook hier voorbij aan dit stuk. Alle drie middelen waren niet ernstig. De vordering werd verworpen. De auditeur gaf een eensluidend advies.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest verduidelijkt de beoordelingsruimte van de aanbestedende overheid bij het kwalificeren van voorwaardelijke prijsopgaven als substantiële onregelmatigheid. Wanneer een inschrijver handgeschreven opmerkingen op de inventaris plaatst die voorwaarden stellen bij prijzen, afwijken van de gevraagde capaciteit of de uitvoeringsuren beperken, kan de aanbestedende overheid dit als substantiële onregelmatigheid beoordelen wegens de onvergelijkbaarheid die dit veroorzaakt — zeker wanneer prijs het enige gunningscriterium is. Het arrest bevestigt ook dat de mogelijkheid tot verduidelijking van artikel 66, § 3, geen verplichting is en zich niet leent tot het regulariseren van substantiële onregelmatigheden. Ten slotte onderstreept het arrest het belang voor de verzoekende partij om alle stukken van de gunningsbeslissing — inclusief bijlagen zoals het verslag van nazicht — in haar kritiek te betrekken.

De les

Als inschrijver: plaats geen handgeschreven opmerkingen of voorwaarden op de inventaris die afwijken van het bestek. Voorwaardelijke prijsformuleringen, een afwijkende capaciteitsopgave of beperkte uitvoeringsuren zijn niet zomaar onschuldige toelichtingen — zij kunnen als substantiële onregelmatigheid worden gekwalificeerd die de vergelijkbaarheid van offertes onmogelijk maakt. Vul de inventaris strikt conform de bepalingen van het bestek in. Bij twijfel over de interpretatie van bestekbepalingen, vraag verduidelijking vóór indiening en pas je offerte aan op basis van het antwoord. Als aanbestedende overheid: wanneer een inschrijver voorwaarden verbindt aan zijn prijsopgave, documenteer duidelijk waarom dit de vergelijkbaarheid belemmert en waarom het een substantiële onregelmatigheid vormt.

Stel jezelf de vraag

Als inschrijver: heb je de inventaris strikt conform het bestek ingevuld, zonder handgeschreven opmerkingen, voorbehouden of voorwaarden? Wijken je capaciteitsopgaven of uitvoeringsuren af van wat het bestek vereist? Als aanbestedende overheid: heb je de kwalificatie van substantiële onregelmatigheid afdoende gemotiveerd? Maak je alle stukken — inclusief het verslag van nazicht — integraal deel van de gunningsbeslissing?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →