Annulment Dutch-speaking chamber

Een prijsverantwoording die uitgaat van een niet-bestekconforme uitvoering kan niet worden aanvaard — en de loutere mededeling van de prijs van een onderaannemer neemt de schijn van abnormaliteit niet weg

Ruling nr. 263795 · 27 June 2025 · XIVe kamer

De Raad van State vernietigt de gunning van werken voor de nieuwbouw van een sportgebouw in Wichelen, omdat de aanbestedende overheid de prijsverantwoording van de eerste gerangschikte inschrijver voor gevelpanelen in architectonisch beton heeft aanvaard terwijl die verantwoording was gebaseerd op zelfproductie — wat niet bestekconform was aangezien het bestek prefabricatie door een Febelarch-lid in onderaanneming voorschreef — en de prijsverantwoording van de tweede gerangschikte inschrijver voor aluminium schrijnwerk louter bestond uit de prijs van een onderaannemer vermeerderd met een winstmarge, zonder concrete en objectieve verklarende factoren.

What happened?

De gemeente Wichelen schreef via een openbare procedure een opdracht voor werken uit: de nieuwbouw van het sportgebouw Sportpark Bellekouter te Schellebelle (perceel 1 — architectuur en stabiliteit, pilootaanneming). Vijf inschrijvers dienden een offerte in. Het enige gunningscriterium was de prijs. De rangschikking was: (1) bv R. met 2.034.741,89 euro, (2) nv D. met 2.089.548,78 euro, (3) nv B. met 2.126.586,17 euro, (4) de verzoekende partij NV V. met 2.169.223,87 euro, en (5) nv S. met 2.200.074,04 euro — alle bedragen inclusief btw. Het prijsonderzoek identificeerde schijnbaar abnormale eenheidsprijzen bij meerdere inschrijvers. Als drempel gold: voor posten met een gewicht vanaf 2,5% van het totale inschrijvingsbedrag een maximale afwijking van 25% ten opzichte van het gemiddelde (zonder de laagste en hoogste eenheidsprijs), en voor posten met een gewicht vanaf 5% een maximale afwijking van 15%. Bij de eerste gerangschikte bv R. werd de eenheidsprijs voor post 23.71 (gevelpanelen in architectonisch beton) als schijnbaar abnormaal laag aangemerkt (−42,5% onder het gemiddelde). Bij de tweede gerangschikte nv D. gold hetzelfde voor post 40.12.10 (aluminium vaste ramen, −33,8%). Alle vijf inschrijvers werden om een prijsverantwoording gevraagd. Het gunningsverslag concludeerde dat er geen substantiële onregelmatigheden waren. Op 29 november 2019 gunde het college van burgemeester en schepenen de opdracht aan de bv R. De NV V. stelde op 19 december 2019 een vernietigingsberoep in. Bij tussenarrest nr. 259.703 van 8 mei 2024 werd het eerste middel gegrond bevonden — de verwerende partij had ten onrechte de leemteformule op de offerte van de verzoekende partij toegepast — en het debat heropend voor onderzoek van het tweede en derde middel. In het tweede middel betoogde de verzoekende partij dat de prijsverantwoordingen van de eerste en tweede gerangschikte inschrijver ontoereikend waren. Over de gevelpanelen stelde zij dat de bv R. een niet-bestekconforme uitvoering had voorgesteld. Punt 23.04 van de technische bestekbepalingen schreef uitdrukkelijk voor dat de prefabricatie van architectonisch beton in onderaanneming moest worden gegeven aan een gespecialiseerde fabrikant, lid van de vereniging Febelarch. De bv R. had in haar prijsverantwoording aangegeven de panelen zelf te zullen fabriceren — de 'meest conforme en economische oplossing'. Daarnaast had zij kosten voor kraanwerk, bescherming en productieplannen in een andere post (werfinrichting) ondergebracht, terwijl punt 23.04 bepaalde dat die kosten in de post voor architectonisch beton begrepen waren. De verwerende partij erkende een 'vergissing' maar beschouwde het als een uitvoeringsprobleem. Zij verwees naar een brief van 15 januari 2020 waarin de bv R. — na de gunningsbeslissing — had bevestigd alsnog een erkende Febelarch-leverancier in te zullen schakelen tegen dezelfde prijs. In haar laatste memorie voerde zij bijkomende kostenbesparende factoren aan: hergebruik van formliners, rechtstreekse levering vanuit de betoncentrale, en kleinere panelen. Over het aluminium schrijnwerk stelde de verzoekende partij dat de nv D. de prijsverantwoording had beperkt tot een verwijzing naar de prijs van haar onderaannemer. De verwerende partij verwees naar het arrest van het Hof van Cassatie van 23 juni 2016 (ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.3), waarin onderaannemersprijzen als verantwoording waren aanvaard. In het derde middel voerde de verzoekende partij de schending aan van de formele en materiële motiveringsplicht: het gunningsverslag motiveerde nergens waarom de verantwoordingen als afdoende konden worden beschouwd. De Raad volgde de verzoekende partij. Over de gevelpanelen oordeelde de Raad dat de prijsverantwoording uitging van een niet-bestekconforme uitvoering. De verwerende partij had die verantwoording niet mogen aanvaarden. Het feit dat de bv R. na de gunning bevestigde toch een erkende leverancier te zullen inschakelen tegen dezelfde prijs, ondermijnde de verantwoording juist: de kostenbesparende factor die de lage prijs verklaarde (zelfproductie) was daarmee weggevallen. De verwerende partij toonde evenmin aan dat kosten voor bescherming en productieplannen in een andere post mochten worden verrekend, nu punt 23.04 uitdrukkelijk bepaalde dat die kosten in de post voor architectonisch beton begrepen waren. De bijkomende verantwoordingselementen uit de laatste memorie — hergebruik formliners, rechtstreekse levering, kleinere panelen — waren post factum motieven waarmee de Raad geen rekening kon houden. Over het aluminium schrijnwerk oordeelde de Raad dat de nv D. de prijsverantwoording had beperkt tot de mededeling van de prijs van haar onderaannemer, vermeerderd met een winstmarge van 9%. Het verslag aan de Koning bij artikel 36 van het KB Plaatsing stelt uitdrukkelijk dat een inschrijver zich niet eenvoudigweg kan beroepen op de met een winstmarge verhoogde prijs van een onderaannemer — daarvoor is verdere informatie over de prijs van de onderaannemer vereist. De loutere mededeling van die prijs geeft niet aan welke concrete en objectieve factoren de abnormaal lage prijs rechtvaardigen, en het feit dat de onderaannemer zijn prijs handhaaft, biedt evenmin een concrete verantwoording. Het arrest van het Hof van Cassatie van 23 juni 2016 deed niet anders besluiten: in die zaak betroffen de onderaannemersprijzen verwaarloosbare posten en had de overheid bovendien op andere rechtvaardigingsgronden gesteund. De gunningsbeslissing werd vernietigd. Het beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissing — de beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen — werd verworpen: de verzoekende partij toonde niet aan dat de verwerende partij geen andere keuze had, aangezien ook voor haar eigen offerte een prijsverantwoording was gevraagd voor dezelfde post 23.71. De omstandigheid dat de opdracht inmiddels was uitgevoerd, deed daar geen afbreuk aan. Staatsraad Patricia De Somere bracht verslag uit. Auditeur Thomas Maes stelde een aanvullend verslag op en gaf een eensluidend advies. Het arrest werd gewezen door kamervoorzitter Geert Debersaques, staatsraden Patricia De Somere en Inge Vos, bijgestaan door griffier Johan Pas. De kosten — rolrecht van 400 euro, bijdrage van 40 euro en rechtsplegingsvergoeding van 770 euro (voor zowel de eerdere vordering tot schorsing als het vernietigingsberoep) — werden ten laste van de verwerende partij gelegd.

Why does this matter?

Dit arrest verduidelijkt twee grenzen aan de aanvaarding van prijsverantwoordingen. Ten eerste kan een prijsverantwoording die is gebaseerd op een niet-bestekconforme uitvoering niet worden aanvaard, ook niet als de aanbestedende overheid het als een loutere 'vergissing' of een uitvoeringsprobleem beschouwt. Wanneer de inschrijver na de gunning alsnog belooft bestekconform te werken tegen dezelfde prijs, ontkracht dat juist de verantwoording: het kostenvoordeel dat de lage prijs verklaarde is dan weggevallen. Ten tweede bevestigt het arrest dat de loutere mededeling van de prijs van een onderaannemer — zelfs met een transparant winstpercentage — geen afdoende prijsverantwoording vormt. Het verslag aan de Koning bij artikel 36 KB Plaatsing zegt dit met zoveel woorden. Concrete en objectieve factoren zijn vereist die verklaren waarom die onderaannemer een gunstigere prijs kan aanbieden. Het arrest van het Hof van Cassatie van 23 juni 2016 nuanceert dit niet: in die zaak ging het om verwaarloosbare posten en bijkomende rechtvaardigingsgronden. De verwijzing naar bestekconforme uitvoering achteraf en naar de Cassatierechtspraak volstaan dus niet.

The lesson

Controleer als aanbestedende overheid of een prijsverantwoording uitgaat van een bestekconforme uitvoering. Een inschrijver die een lage prijs verantwoordt door te verwijzen naar een goedkopere werkwijze die het bestek niet toelaat, biedt geen geldige verantwoording — ook niet als hij achteraf belooft het toch bestekconform te doen. Aanvaard de prijs van een onderaannemer niet als verantwoording op zich: vraag door naar de concrete factoren die verklaren waarom die onderaannemer goedkoper kan werken dan de markt. Breng als verwerende partij geen nieuwe verantwoordingselementen aan in de loop van de procedure — de Raad beschouwt die als post factum motieven.

Ask yourself

Heb ik bij het beoordelen van een prijsverantwoording gecontroleerd of de aangevoerde kostenbesparende factoren uitgaan van een bestekconforme uitvoering — en heb ik bij een verantwoording op basis van onderaannemersprijzen doorgevraagd naar de concrete factoren die die prijzen verklaren?

About this database

The Council of State (Raad van State / Conseil d'État) is Belgium's supreme administrative court. In disputes over public procurement — from contract awards to tenderer exclusions — the Council of State is the final arbiter. The rulings in this database are summarised by TenderWolf in plain language, with practical lessons for tenderers and contracting authorities. View all rulings →