Handtekeningen op verbintenisverklaringen van derden die niet overeenstemmen met de identiteitskaart mogen als onbewijskrachtig worden geweigerd — en de aanbestedende overheid hoeft de inschrijver geen tweede kans te geven
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de niet-selectie van een inschrijver bij een raamovereenkomst voor loodgieterswerken, omdat (1) de aanbestedende overheid de verbintenisverklaringen van twee onderaannemers als onbewijskrachtig mocht weigeren wegens niet-overeenstemmende handtekeningen met hun identiteitskaart — wat geen schending is van de bewijskracht van een onderhandse akte maar een vaststelling dat de verklaringen de beweerde verbintenissen niet aantonen, (2) de formele motivering afdoende was nu zij de concrete reden van de weigering vermeldde, en (3) de zorgvuldigheidsplicht de aanbestedende overheid niet verplichtte om de inschrijver nogmaals te bevragen nadat zij reeds gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om aanvullende informatie op te vragen na de opening van de offertes.
Que s'est-il passé ?
De Société du Logement de Grâce-Hollogne schreef een raamovereenkomst uit voor loodgieters- en sanitaire werken in haar gebouwen. Drie inschrijvers dienden een offerte in. De verzoekende partij (SRL Mansteval) beriep zich op de technische bekwaamheid van derden (onderaannemers) om aan de kwalitatieve selectiecriteria te voldoen. Na de opening van de offertes verzocht de aanbestedende overheid om aanvullende informatie over de selectie. De verzoekende partij legde een lijst van zes technici voor, van wie drie onderaannemers verbintenisverklaringen hadden ondertekend. De aanbestedende overheid vergeleek de handtekeningen op twee van die verklaringen met de identiteitskaarten van de betrokken personen en stelde vast dat ze niet overeenstemden. Zij verklaarde die verklaringen 'onontvankelijk' en concludeerde dat de verzoekende partij slechts over één gekwalificeerde technicus beschikte — onvoldoende om aan de selectievereisten te voldoen. De opdracht werd gegund aan een andere inschrijver. De verzoekende partij voerde drie grieven aan. Ten eerste: onvoldoende motivering. De Raad verwierp dit: de vermelding dat de handtekeningen niet overeenstemden met de identiteitskaart was een afdoende motivering — de aanbestedende overheid hoefde niet uit te leggen in welk opzicht de handtekeningen niet aan de wettelijke definitie van 'handtekening' beantwoordden, omdat het besluit niet was gebaseerd op het ontbreken van handtekeningen maar op het niet-kunnen identificeren van de ondertekenaars. Ten tweede: schending van de bewijskracht van een onderhandse akte (artikel 8.18 Burgerlijk Wetboek). De Raad verwierp ook dit: de aanbestedende overheid gaf geen uitlegging aan de verklaringen die onverenigbaar was met hun bewoordingen — zij stelde enkel vast dat de verklaringen de beweerde verbintenissen niet bewezen, omdat de ondertekenaars niet konden worden geïdentificeerd. Dat is geen schending van de bewijskracht maar een weigering van bewijswaarde. Ten derde: schending van de zorgvuldigheidsplicht doordat de aanbestedende overheid de inschrijver niet had bevraagd over de handtekeningenkwestie. De Raad verwierp dit: het is aan de inschrijver om zijn dossier zorgvuldig samen te stellen. De aanbestedende overheid had reeds gebruik gemaakt van artikel 66, § 3, van de wet om aanvullende informatie op te vragen na de opening. Zij was niet verplicht om een tweede gelegenheid te bieden om het dossier aan te vullen.
Pourquoi c'est important ?
Dit arrest verduidelijkt de verhouding tussen de zorgvuldigheidsplicht van de aanbestedende overheid en de eigen verantwoordelijkheid van de inschrijver bij het samenstellen van zijn selectiedossier. Drie lessen springen eruit. Ten eerste: wanneer een inschrijver zich beroept op de bekwaamheid van derden, moet hij zelf het bewijs leveren dat hij over die middelen zal beschikken — met deugdelijke verbintenisverklaringen. Als de handtekeningen op die verklaringen niet overeenstemmen met de identiteitskaarten van de vermeende ondertekenaars, mag de aanbestedende overheid die verklaringen als onbewijskrachtig terzijde leggen. Ten tweede: het weigeren van bewijswaarde aan een document wegens twijfel over de identiteit van de ondertekenaar is niet hetzelfde als het schenden van de bewijskracht van een onderhandse akte. Ten derde: de mogelijkheid van artikel 66, § 3, om aanvullende informatie op te vragen is een faculteit, geen verplichting, en de aanbestedende overheid hoeft die niet herhaaldelijk te gebruiken.
La leçon
Als inschrijver: zorg ervoor dat alle verbintenisverklaringen van derden — onderaannemers of andere entiteiten op wier bekwaamheid je je beroept — ondubbelzinnig zijn ondertekend door de personen die bevoegd zijn om die entiteiten te verbinden, en dat de handtekeningen herkenbaar zijn. Een discrepantie tussen de handtekening op de verklaring en die op de identiteitskaart kan volstaan om de verklaring als onbewijskrachtig te weren. Reken er ook niet op dat de aanbestedende overheid je een tweede kans geeft als je dossier gebreken vertoont — zeker niet als je de selectiestukken al op verzoek hebt mogen aanvullen na de opening. Als aanbestedende overheid: als je twijfelt aan de authenticiteit van handtekeningen op verbintenisverklaringen, mag je die verklaringen terzijde leggen — maar motiveer helder waarom je de handtekeningen niet als identificerend beschouwt.
Posez-vous la question
Als ik mij voor de selectie beroep op de technische bekwaamheid van onderaannemers: heb ik van elk van hen een deugdelijk ondertekende verbintenisverklaring — en heb ik gecontroleerd dat de handtekeningen overeenstemmen met hun officiële identiteitsdocumenten?
À propos de cette base de données
Le Conseil d'État (Raad van State) est la plus haute juridiction administrative de Belgique. En matière de marchés publics — de l'attribution d'un contrat à l'exclusion d'un soumissionnaire — le Conseil d'État tranche en dernier ressort. Les arrêts de cette base de données sont résumés par TenderWolf en langage clair, avec des leçons pratiques pour les soumissionnaires et les pouvoirs adjudicateurs. Voir tous les arrêts →