Zelfde steengroeve, zelfde intrekking, 70 euro minder: wie in zijn verzoekschrift 700 euro rechtsplegingsvergoeding vraagt, krijgt geen 770
De combinatie Nelles Frères, Loiseau en Établissements Jaco, wier offerte voor de concessie van de steengroeve van Bay Bonnet door de gemeente Olne als wezenlijk onregelmatig was geweerd, zag haar UDN-vordering op 10 december 2020 verworpen en diende op 21 december 2020 een annulatieberoep in, enkele dagen nadat de gemeente de toewijzing had ingetrokken; de Raad van State verklaarde het beroep zonder voorwerp, wees het argument van de gemeente af dat de verzoekers de kosten moesten dragen omdat ze de intrekking al kenden, en legde Olne rolrechten van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro op — het bedrag dat in het verzoekschrift van 2020 was gevraagd, en niet het intussen tot 770 euro geïndexeerde basisbedrag dat de parallelle verzoekers in arrest nr. 255.088 wél kregen.
Wat gebeurde er?
Voor de exploitatie van haar steengroeve van Bay Bonnet via een ‘contrat de fortage’ ontving de gemeente Olne onder meer een offerte van de combinatie Nelles Frères, Loiseau en Établissements Jaco. Bij beslissing van 29 oktober 2020 beschouwde het gemeentecollege die offerte als wezenlijk onregelmatig en wees het de concessie toe aan de combinatie Entreprise Marcel Baguette, Bodarwé Carrières, Joly en F.A.S. Services. De drie vennootschappen vorderden de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; bij arrest nr. 249.194 van 10 december 2020 verwierp de Raad van State die vordering, willigde hij de tussenkomst van de begunstigde combinatie in en vereffende hij de kosten van de schorsingsprocedure. Op 14 december 2020 trok de gemeente de toewijzingsbeslissing in; zij betekende die intrekking op 16 december 2020 per aangetekende brief aan alle inschrijvers. Op 21 december 2020 dienden Nelles Frères, Loiseau en Jaco toch een annulatieberoep in, waarin zij ‘een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro’ vroegen — op dat moment het geldende basisbedrag. In zijn brief van 8 februari 2021 aan de Raad betoogde de raadsman van de gemeente dat de intrekking aan de verzoekende partijen was meegedeeld vóór het verstrijken van de beroepstermijn, zodat zij de kosten moesten dragen. Niemand vocht de intrekking binnen de termijn aan. Na het verslag van eerste auditeur-afdelingshoofd Christian Amelynck en de beschikking van 1 augustus 2022 werd de zaak zonder terechtzitting behandeld. De Raad stelde vast dat de intrekking definitief was en het beroep zijn voorwerp had verloren, en herhaalde dat het verdwijnen van de bestreden akte door intrekking een verkapte vernietiging is, zodat de gemeente als de in het ongelijk gestelde partij geldt. Het kan de verzoekers niet worden verweten dat zij hun beroep instelden terwijl de intrekking, hun enkele dagen eerder meegedeeld, nog niet definitief was en de termijn ten einde liep. De Raad kende hun daarom ‘een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro’ toe — het gevraagde bedrag — en niet de 770 euro die sinds de indexering van 9 juli 2022 het basisbedrag vormt en die de Raad diezelfde dag in het tweelingarrest nr. 255.088 wél toekende aan de andere combinatie, die ‘het basisbedrag’ had gevraagd zonder cijfer. Het dictum: tussenkomst ingewilligd, ‘de bij arrest nr. 249.194 bevolen schorsing’ opgeheven (hoewel dat arrest de schorsing volgens de procesbeschrijving had verworpen), geen uitspraak meer nodig, en de gemeente Olne draagt de kosten: rolrechten van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en 700 euro rechtsplegingsvergoeding, aan de drie verzoekers elk voor een derde.
Waarom doet dit ertoe?
Naast elkaar gelegd tonen de arresten nrs. 255.088 en 255.089 een detail met financiële gevolgen. Beide combinaties verloren hun UDN, beide dienden na de intrekking een annulatieberoep in, beide kregen gelijk over de kosten. Maar de ene had in 2020 ‘een rechtsplegingsvergoeding tegen het basisbedrag’ gevraagd en kreeg 770 euro, het bedrag dat sinds 9 juli 2022 geldt; de andere had ‘700 euro’ geschreven — toen het correcte basisbedrag — en kreeg exact dat. De Raad van State kent niet meer toe dan wat gevorderd is, en corrigeert een intussen achterhaald cijfer niet ambtshalve naar boven. Het verschil is klein, maar het principe niet: wie in zijn verzoekschrift een bedrag vastpint, draagt het risico van elke latere indexering, zeker in procedures die zoals hier twee jaar aanslepen. Voor het overige bevestigt het arrest wat ook in nr. 255.088 staat: een intrekking tijdens de beroepstermijn ontslaat de aanbesteder niet van de kosten van een daarna ingesteld beroep, zolang die intrekking nog niet definitief was.
De les
Voor inschrijvers: formuleer uw vordering tot rechtsplegingsvergoeding als ‘het basisbedrag’ of ‘het geïndexeerde basisbedrag’, niet als een vast cijfer. Een annulatieprocedure duurt gemakkelijk twee jaar; wordt het bedrag intussen geïndexeerd, dan krijgt u het nieuwe bedrag alleen als uw vordering daar ruimte voor laat. En dien uw beroep in zolang de intrekking niet definitief is en uw termijn afloopt — de Raad rekent u dat niet aan. Voor aanbesteders: een intrekking na een verloren UDN van de tegenpartij is vaak verstandig, maar u betaalt de kosten van het annulatieberoep dat daarop nog volgt; betekent de intrekking dus meteen en volledig.
Te onthouden
- Een annulatieberoep ingesteld terwijl de intrekking is meegedeeld maar nog niet definitief is en de beroepstermijn afloopt, is niet verwijtbaar; de aanbesteder draagt de kosten (art. 30/1 gecoördineerde wetten).
- De Raad kent de rechtsplegingsvergoeding toe zoals gevorderd: 700 euro gevraagd in 2020 betekent 700 euro in 2022, ook al is het basisbedrag intussen 770 euro (MB 22 juni 2022).
- Het parallelle arrest nr. 255.088 van dezelfde dag kende 770 euro toe aan verzoekers die ‘het basisbedrag’ hadden gevraagd zonder cijfer.
- De rolrechten (600 euro) en de rechtsplegingsvergoeding worden bij drie verzoekende partijen elk voor een derde verdeeld.
- De offerte van de verzoekers was als wezenlijk onregelmatig geweerd en hun UDN-vordering was verworpen (arrest nr. 249.194); dat belet niet dat zij bij intrekking als de in het gelijk gestelde partij gelden.
- Ook hier vermeldt het dictum de opheffing van een ‘bevolen’ schorsing die het UDN-arrest volgens de procesbeschrijving had verworpen.
Waarop letten
- De formulering van de kostenvordering in het verzoekschrift: een vast bedrag begrenst wat u kunt krijgen.
- De doorlooptijd: beroep in december 2020, arrest in november 2022 — lang genoeg voor een indexering.
- Het verschil van 70 euro tussen de twee tweelingarresten is volledig te herleiden tot de formulering van de vordering.
- De kosten van de UDN-procedure waren al bij arrest nr. 249.194 vereffend.
Stel jezelf de vraag
Vraagt u in uw verzoekschrift ‘het basisbedrag’ van de rechtsplegingsvergoeding, of een cijfer dat over twee jaar verouderd kan zijn? Weet u dat de Raad niet meer toekent dan u gevorderd hebt, ook niet na indexering? Hebt u uw annulatieberoep ingediend zolang de intrekking nog niet definitief was en uw termijn afliep? En als aanbesteder: hebt u de intrekking aan alle inschrijvers betekend met de beroepsmogelijkheden, en aanvaardt u dat u de kosten draagt van een beroep dat vóór het definitief worden ervan wordt ingesteld?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →