opheffing_schorsing Nederlandstalig college

Een gewonnen schorsing die verdampt: L.I.F.E. diende na de UDN-schorsing van de Sogent-beslissing geen annulatieberoep in en betaalt nu 920 euro aan de tegenpartij

Arrest nr. 255132 · 29 november 2022 · XIIe kamer

Nadat de Raad van State bij arrest nr. 252.352 van 8 december 2021 op vordering van L.I.F.E. de beslissing van Sogent had geschorst om haar offerte voor het project Oude Dokken – Dok Zuid als onregelmatig te weren, liet L.I.F.E. na om binnen de termijn een beroep tot nietigverklaring in te stellen; de Raad was daardoor krachtens artikel 17, § 4, derde lid van de gecoördineerde wetten verplicht de schorsing op te heffen en legde het rolrecht, de bijdrage en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten laste van de inschrijver die de schorsing eerder had gewonnen.

Wat gebeurde er?

Het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Gent (Sogent) organiseerde de overheidsopdracht voor werken 2020/13 ‘Project Oude Dokken, Dok Zuid – Realisatie van een samengesteld project met een onderwijscampus en collectieve studentenhuisvesting’, met de Arteveldehogeschool als toekomstige gebruiker van de campus. Bij beslissing van 27 oktober 2021 weerde Sogent de offerte van de NV Living in Funky Environments (L.I.F.E.) als onregelmatig. L.I.F.E. stapte op 12 november 2021 naar de Raad van State met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en met succes: bij arrest nr. 252.352 van 8 december 2021 beval de Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging van de weringsbeslissing. De VZW Arteveldehogeschool kwam in de procedure tussen. Daarmee stopte het verhaal van L.I.F.E. echter. Zij diende na de schorsing geen verzoekschrift tot nietigverklaring van de bestreden beslissing in. Artikel 17, § 4, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State laat de Raad in dat geval geen keuze: hij is ‘ertoe gehouden de uitgesproken schorsing op te heffen’. De voorzitter van de XIIe kamer stelde de partijen bij beschikking van 12 september 2022 voor om de zaak zonder openbare terechtzitting af te handelen, overeenkomstig artikel 26, § 2 van het Regentsbesluit van 23 augustus 1948; geen van de partijen vroeg een zitting. Het debat werd gesloten en de zaak op 22 november 2022 in beraad genomen. In het arrest van 29 november 2022 hief de Raad de schorsing van 8 december 2021 op. Over de kosten oordeelde hij dat het ‘in de gegeven omstandigheden’ paste om het rolrecht van de UDN-vordering en de door Sogent gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten laste van L.I.F.E. te leggen: in totaal een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en 700 euro rechtsplegingsvergoeding aan Sogent. De Arteveldehogeschool droeg als tussenkomende partij zelf het rolrecht van 150 euro voor haar tussenkomst.

Waarom doet dit ertoe?

Het arrest bevat geen inhoudelijke overweging over de opdracht of over de reden waarom de offerte van L.I.F.E. was geweerd, en precies daarom is het instructief. Een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is een voorlopige maatregel. Zij bevriest de bestreden beslissing, maar zij vernietigt ze niet. Wie na de schorsing niets meer doet — geen annulatieberoep binnen de termijn van zestig dagen — ziet de schorsing van rechtswege vervallen, en de Raad moet dat vaststellen zonder enige beoordelingsvrijheid. Het praktische gevolg is tweeledig. Ten eerste herleeft de geschorste beslissing: Sogent kon de wering van L.I.F.E. gewoon handhaven. Ten tweede keert de kostenlast om. Bij de schorsing was L.I.F.E. de winnende partij; bij de opheffing wordt zij de partij die de kosten en de rechtsplegingsvergoeding van de tegenpartij draagt, ook al heeft de Raad nooit inhoudelijk geoordeeld dat haar middelen ongegrond waren. Voor inschrijvers die na een gewonnen schorsing met de aanbesteder tot een vergelijk komen — of die de opdracht intussen aan zich voorbij zien gaan — is dat een kostenpost die men bewust moet incalculeren. De keuze is niet ‘schorsing winnen en dan afwachten’, maar ‘schorsing winnen en dan ofwel doorzetten met een annulatieberoep, ofwel de opheffing en de bijbehorende factuur aanvaarden’. Het arrest sluit aan bij een reeks beslissingen waarin de Raad de kosten van een opgeheven schorsing of van een afstand van geding ten laste van de verzoekende partij legt, en toont dat de rechtsplegingsvergoeding daarbij op het basisbedrag van 700 euro wordt gezet wanneer de tegenpartij dat vraagt.

De les

Voor inschrijvers: een UDN-schorsing is een tussenstap, geen eindpunt. Beslis vóór het verstrijken van de annulatietermijn wat u doet. Als u een annulatieberoep instelt, blijft de schorsing lopen tot het eindarrest; als u dat niet doet, wordt ze opgeheven en betaalt u de kosten van de tegenpartij. Onderhandelt u intussen met de aanbesteder over een oplossing, leg dan ook de kostenregeling vast — of dien een verzoekschrift tot nietigverklaring in om uw positie te beschermen tot het akkoord rond is. Voor aanbesteders: als een inschrijver na een schorsing geen annulatieberoep instelt, hoeft u niets te doen behalve de opheffing af te wachten; vraag daarbij wel uitdrukkelijk de rechtsplegingsvergoeding, want de Raad kent ze toe op verzoek. Voor tussenkomende partijen zoals de Arteveldehogeschool: de tussenkomst kost 150 euro rolrecht, en dat bedrag blijft ook bij een gunstige afloop voor eigen rekening.

Te onthouden

  • Wie na een UDN-schorsing geen beroep tot nietigverklaring instelt, verliest de schorsing: artikel 17, § 4, derde lid van de gecoördineerde wetten verplicht de Raad ze op te heffen, zonder beoordelingsvrijheid.
  • De opheffing gebeurt zonder inhoudelijk onderzoek; de bestreden weringsbeslissing van Sogent herleefde daardoor onverkort.
  • De kosten keren om: de inschrijver die de schorsing had gewonnen, betaalt nu het rolrecht (200 euro), de bijdrage (20 euro) en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro aan de aanbesteder.
  • De rechtsplegingsvergoeding werd toegekend op het basisbedrag van 700 euro, op verzoek van de verwerende partij.
  • De tussenkomende partij Arteveldehogeschool draagt haar eigen rolrecht van 150 euro.
  • De zaak werd op voorstel van de kamervoorzitter schriftelijk afgehandeld zonder terechtzitting (art. 26, § 2 Regentsbesluit); geen enkele partij vroeg een zitting.
  • De oorspronkelijke schorsing dateerde van 8 december 2021 (arrest nr. 252.352); de opheffing volgde bijna een jaar later, op 29 november 2022.

Waarop letten

  • De termijn voor het beroep tot nietigverklaring na een UDN-schorsing, en de noodzaak om die keuze bewust te maken.
  • Het verschil tussen het winnen van een schorsing en het winnen van de zaak: enkel het tweede beschermt tegen de kostenveroordeling.
  • Dat de aanbesteder de rechtsplegingsvergoeding uitdrukkelijk moet vragen; hier deed Sogent dat.
  • Dat een schriftelijke afhandeling zonder zitting mogelijk is wanneer geen van de partijen erom verzoekt, wat de doorlooptijd verkort.

Stel jezelf de vraag

Weet u dat een UDN-schorsing automatisch wordt opgeheven als u niet binnen de termijn een beroep tot nietigverklaring instelt? Hebt u die termijn ingepland in uw dossierbeheer, zodat de beslissing om al dan niet door te zetten bewust wordt genomen? Beseft u dat de partij die de schorsing won, bij de opheffing de kosten en de rechtsplegingsvergoeding draagt, zonder inhoudelijk oordeel over haar middelen? Als aanbesteder: hebt u in uw nota de rechtsplegingsvergoeding gevraagd? En als tussenkomende partij: hebt u het rolrecht van 150 euro ingecalculeerd als een kost die u zelf draagt?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →