Intrekking gunning en niet-plaatsing videoraamovereenkomst: financieel motief volstaat, verwijzing naar verkeerde entiteit is overtollig motief, geen gerechtvaardigd vertrouwen zonder gesloten overeenkomst
De Raad van State verwerpt het annulatieberoep tegen de beslissing tot niet-plaatsing van een raamovereenkomst voor videodiensten, omdat het financieel-economisch motief (aansluiting bij een bestaande raamovereenkomst) wettig is, de foutieve verwijzing naar 'Het Facilitair Bedrijf' in plaats van het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken een overtollig motief betreft, en de begunstigde inschrijver geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan een gunningsbeslissing zonder gesloten overeenkomst.
Wat gebeurde er?
Het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van het Vlaamse Gewest, schreef via een openbare procedure een raamovereenkomst uit voor videodiensten (productie en postproductie van videocontent). De gunningscriteria waren prijs (40 punten) en kwaliteit (60 punten, opgedeeld in cases, visie/motivatie en plan van aanpak). Twaalf offertes werden ingediend. BV Z. behaalde het hoogste totaal en werd op 10 september 2021 de opdracht gegund, voor een bedrag van 103.901,20 euro btw inbegrepen. BV Z. had daarbij een btw-tarief van 6% gehanteerd in plaats van 21%, op basis van een volledige overdracht van auteursrechten. De gunningsbeslissing werd op 22 september 2021 meegedeeld aan BV Z., met de uitdrukkelijke vermelding dat de kennisgeving geen contractuele verbintenis deed ontstaan. De overeenkomst werd nooit formeel gesloten. Na bezwaren van niet-gekozen inschrijvers over de motivering in het gunningsverslag deelde AWV op 29 september 2021 — slechts zeven dagen na de kennisgeving — mee dat de gunningsbeslissing zou worden ingetrokken. Op 14 februari 2022 trok AWV de gunningsbeslissing formeel in, gemotiveerd door een onvoldoende onderbouwde kwaliteitsbeoordeling en verkeerde btw-tarieven. Op 7 april 2022 besliste AWV om de opdracht niet te plaatsen. Het motief: inmiddels was door het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken een raamovereenkomst voor audiovisuele producten uitgeschreven waarvan AWV kon afnemen, wat voordeliger werd geacht qua budgettaire middelen en personeelsinzet. In de beslissing werd deze raamovereenkomst echter foutief toegeschreven aan 'Het Facilitair Bedrijf' in plaats van het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken — beide entiteiten behoren tot hetzelfde beleidsdomein binnen de Vlaamse overheid. BV Z. stelde annulatieberoepen in tegen zowel de intrekkingsbeslissing als de niet-plaatsingsbeslissing. Het beroep tegen de intrekking werd bij arrest nr. 257.710 van 23 oktober 2023 verworpen. In het onderhavige beroep tegen de niet-plaatsing wierp het Vlaamse Gewest een exceptie van niet-ontvankelijkheid op: BV Z. zou geen actueel belang meer hebben. De Raad verwierp de exceptie: als begunstigde van de ingetrokken gunningsbeslissing had BV Z. het vereiste belang in de zin van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013, dat een ruime interpretatie voorstaat. Het feit dat BV Z. geen UDN-schorsingsvordering had ingesteld deed daaraan geen afbreuk. Ook het feit dat BV Z. kon deelnemen — en effectief had deelgenomen — aan de raamovereenkomst van het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken deed haar belang niet vervallen, aangezien het om een andere opdracht van een andere aanbestedende overheid ging. Ten gronde verwierp de Raad het enig middel op alle onderdelen. Over artikel 85: de beslissing tot niet-plaatsing steunt op een wettig financieel-economisch motief. Over de motivering: de formelemotiveringsplicht verplicht niet tot vermelding van de precieze opdrachtreferentie en bekendmakingsdatum; de verwijzing naar 'Het Facilitair Bedrijf' in plaats van het Departement betreft een overtollig motief dat niet tot nietigverklaring kan leiden. Over de redelijke termijn: de gunningsbeslissing was genomen binnen de vrijwillig verlengde verbintenistermijn (tot 30 september 2021); het tijdsverloop tussen uitschrijving (5 maart 2021) en niet-plaatsing (7 april 2022) was niet onredelijk gelet op de concrete omstandigheden. Over het vertrouwensbeginsel: BV Z. kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de gunningsbeslissing nu de overeenkomst nooit was gesloten en zij reeds zeven dagen na kennisgeving werd geïnformeerd over de voorgenomen intrekking. De kosten van het indienen van een offerte zijn inherent aan deelname aan overheidsopdrachten, onder voorbehoud van een biedvergoeding (art. 12/9 wet 17 juni 2016).
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest bevestigt een aantal fundamentele principes. Ten eerste: een gunningsbeslissing schept geen recht op contractsluiting — artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 bepaalt uitdrukkelijk dat de aanbestedende overheid niet verplicht is de opdracht te gunnen of te sluiten. Ten tweede: een financieel-economisch motief, zoals aansluiting bij een bestaande raamovereenkomst binnen de Vlaamse overheid, is een wettig motief voor niet-plaatsing. Ten derde: een foutieve verwijzing in de formele motivering (hier: naar de verkeerde Vlaamse entiteit) leidt niet tot nietigverklaring als het een overtollig motief betreft — de kern van de motivering moet overeind blijven. Ten vierde: het vertrouwensbeginsel beschermt de begunstigde inschrijver niet zolang de overeenkomst niet formeel is gesloten, zeker niet als kort na de gunning al werd geïnformeerd over de voorgenomen intrekking.
De les
Een gunningsbeslissing is geen garantie op een contract. Als begunstigde inschrijver: doe geen onomkeerbare investeringen zolang de overeenkomst niet formeel is gesloten. Als aanbestedende overheid: u kunt een gunning intrekken en de opdracht niet plaatsen zolang u een wettig motief heeft en dit afdoende motiveert. Een fout in de motivering — zoals een verwijzing naar de verkeerde entiteit — maakt uw beslissing kwetsbaar, maar leidt niet noodzakelijk tot nietigverklaring als het een overtollig motief betreft. Informeer de begunstigde zo snel mogelijk over een voorgenomen intrekking om het vertrouwensargument te ontkrachten.
Stel jezelf de vraag
Wacht u als inschrijver op de formele contractsluiting voordat u onomkeerbare investeringen doet? Evalueert u als aanbestedende overheid vóór de sluiting van het contract of er geen betere alternatieven beschikbaar zijn geworden? Is uw motivering voor een intrekking of niet-plaatsing feitelijk correct — verwijst u naar de juiste entiteit, de juiste opdrachtreferentie?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →