Een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid zonder vernietigingsberoep is onontvankelijk — ook in overheidsopdrachten
De Raad van State verwerpt een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de gunning van een dienstencontract voor onderhoud van alarmsystemen, omdat de vordering niet werd gevolgd door een vernietigingsberoep binnen de wettelijke termijn van zestig dagen — wat de vordering onontvankelijk maakt, ook in het overheidsopdrachtencontentieux.
Wat gebeurde er?
SCRL Haute Senne Logement gunde op 23 oktober 2024 een dienstencontract voor het onderhoud en de herstelling van brand-, gas- en inbraakalarminstallaties (48 maanden) aan SA Établissements Dumay-Mior. SA Alarmes Coquelet stelde op 6 februari 2025 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Bij arrest nr. 262.868 van 2 april 2025 werd de tussenkomst van Dumay-Mior ontvangen en de heropening van de debatten bevolen, met vaststelling van de zaak op de zitting van 15 april 2025. Tegelijk stelde de Raad ambtshalve vast dat er geen vernietigingsberoep tegen dezelfde beslissing bleek te zijn ingesteld. Op de zitting van 15 april 2025 — waar kamervoorzitter David De Roy verslag uitbracht en eerste auditeur-afdelingshoofd Christian Amelynck een eensluidend advies gaf — betwistte de verzoekster het ontbreken van een vernietigingsberoep niet en ontwikkelde zij geen enkel argument om de ontvankelijkheid van haar schorsingsvordering te verdedigen. De Raad herinnerde eraan dat de regels inzake ontvankelijkheid van openbare orde zijn en ambtshalve getoetst worden. Het administratief kortgeding strekt ertoe het nuttig effect van een eventuele vernietiging te vrijwaren — de beslissing in kortgeding is per definitie voorlopig en moet worden bevestigd of ontkracht bij de uitspraak ten gronde. De schorsingsvordering is dus het accessorium van het vernietigingsberoep. Artikel 17, eerste paragraaf, van de gecoördineerde wetten bepaalt dat schorsing alleen kan worden bevolen als de beslissing vatbaar is voor vernietiging, en artikel 17, achtste paragraaf, vierde lid, bepaalt uitdrukkelijk dat de schorsing onmiddellijk wordt opgeheven als er geen vernietigingsberoep volgt. De wet van 17 juni 2013 — die richtlijn 2007/66/EG omzet — wijkt niet af van die bepalingen. De richtlijn zelf onderscheidt uitdrukkelijk 'voorlopige maatregelen' (waaronder schorsing) van beslissingen ten gronde (waaronder vernietiging). Artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 spreekt van een 'ernstig middel', dat wil zeggen een middel dat prima facie de vernietiging kan rechtvaardigen — wat bevestigt dat de schorsingsvordering het accessorium is van het vernietigingsberoep. Als de schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet wordt gevolgd door een vernietigingsberoep binnen de termijn van artikel 23, tweede paragraaf (zestig dagen vanaf de gemotiveerde kennisgeving), moet de schorsing worden opgeheven krachtens artikel 17, achtste paragraaf, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 25. De vordering werd onontvankelijk verklaard. De kosten kwamen ten laste van de verzoekster: 200 euro rolrecht, 24 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster. Dumay-Mior droeg het rolrecht van 150 euro voor haar tussenkomst.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest bevestigt een fundamenteel procesrechtelijk principe: een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid is steeds het accessorium van een vernietigingsberoep. Zonder tijdig vernietigingsberoep is de schorsingsvordering onontvankelijk. De wet van 17 juni 2013 — die de Europese rechtsmiddelenrichtlijn omzet — wijkt hier niet van af, en de richtlijn zelf onderscheidt uitdrukkelijk voorlopige maatregelen van beslissingen ten gronde. Dit geldt dus ook voor het overheidsopdrachtencontentieux.
De les
Vergeet na het indienen van een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet om tijdig een vernietigingsberoep in te stellen. Zonder dat beroep is je schorsingsvordering onontvankelijk — ook in het overheidsopdrachtencontentieux. De termijn bedraagt zestig dagen vanaf de gemotiveerde kennisgeving.
Stel jezelf de vraag
Heb ik na mijn schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid ook effectief een vernietigingsberoep ingesteld binnen de wettelijke termijn van zestig dagen?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →