Wijzigingen aan meetstaten tijdens onderhandelingen in speciale sectoren schenden het gelijkheidsbeginsel niet als ze aan alle inschrijvers worden meegedeeld
De Raad van State verwerpt de vordering tegen de gunning van een raamovereenkomst voor groenonderhoud, sneeuwruimen en zoutstrooien bij de NMBS, omdat de aanpassingen aan het bestek in de BAFO-fase ofwel verduidelijkingen waren van bestaande bestekbepalingen ofwel wijzigingen die aan alle inschrijvers gelijk werden meegedeeld, en omdat de verzoekende partij voor geen enkel van de vier betwiste percelen als tweede was gerangschikt — zodat zij haar belang bij de middelonderdelen over abnormale prijzen en vervlechting van winnende inschrijvers niet aantoonde.
Wat gebeurde er?
De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) schreef via onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging in de speciale sectoren een raamovereenkomst uit voor diensten met als voorwerp het sneeuwruimen, zoutstrooien en groenonderhoud van perrons, parkings en andere terreinen, verdeeld over zeven percelen voor een duur van acht jaar (bestek CS5/0004228821). De opdracht werd nationaal en Europees bekendgemaakt. De gunningscriteria waren prijs (85 procent) en corporate social responsibility (15 procent). Er werden achttien aanvragen tot deelneming ingediend. Op 13 maart 2024 werden vijftien ondernemingen geselecteerd en uitgenodigd een offerte in te dienen. Tien dienden een eerste offerte in. Op 23 december 2024 vroeg de NMBS aan alle inschrijvers van de percelen 1, 3, 4 en 7 om voor één opgegeven station een detail te bezorgen van de prijsopbouw, omdat bij het prijsonderzoek grote, niet te verklaren prijsverschillen opvielen. De NMBS benadrukte dat dit een vraag tot verduidelijking was en geen vraag tot verbeterde offerte. NV D. maakte in haar antwoord van 13 januari 2025 opmerkingen over de juridische context van de vraag. Op 4 februari 2025 deelde de NMBS aan alle inschrijvers een aantal wijzigingen mee in het kader van de BAFO-fase: aanpassingen aan de meetstaten voor specifieke stations (toevoeging en schrapping van bepaalde prestaties), de mogelijkheid om percentages op te geven voor gedegradeerde situaties en uitzonderlijke winterse omstandigheden — posten die al in het oorspronkelijke bestek stonden — en de mededeling van ontbrekende infofiches en een bijgewerkte veiligheidsgids. De inschrijvers werden uitgenodigd hun BAFO in te dienen tegen 14 februari 2025. NV D. diende op die datum haar BAFO in, vergezeld van een brief waarin zij opmerkte dat de posten voor gedegradeerde situaties 'nieuwe posten' leken zonder bijkomende beschrijving in het bestek. Op 17 maart 2025 keurde de gedelegeerd bestuurder van de NMBS de gunningsbeslissing goed. Eén offerte (NV J.) werd geweerd wegens ontbrekende prijzen, CSR-toelichting en technische documentatie. Een andere (NV C.) werd niet aanvaard omdat zij veel minder uren aanrekende en de prijs abnormaal laag was. De percelen 1 en 3 werden gegund aan NV K. (524.097 respectievelijk 734.518,21 euro), de percelen 4 en 7 aan NV G. (649.863,90 respectievelijk 1.693.418 euro). NV D. vorderde op 2 april 2025 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij beschikking van 3 april 2025 werd de procedurekalender vastgelegd. NV K. en NV G. vroegen op 14 april 2025 om te mogen tussenkomen. De terechtzitting vond plaats op 23 april 2025, waar staatsraad Patricia De Somere verslag uitbracht en auditeur Thomas Maes een eensluidend advies gaf. NV D. ontwikkelde een enig middel met drie onderdelen. In het eerste onderdeel betoogde zij dat het bestek onduidelijk was en onwettig was gewijzigd tijdens de BAFO-fase. De Raad oordeelde dat de verzoekende partij het middel grotendeels verward en ontoegankelijk formuleerde en sloot het meerdere uit wegens obscuri libelli. Ten gronde stelde de Raad vast dat de vraag om prijsdetaillering geen teken van onduidelijkheid was maar een legitiem prijsonderzoek. De wijzigingen in de BAFO-fase vielen in drie categorieën: aanpassingen aan de meetstaten die aan alle inschrijvers gelijk werden meegedeeld (geen schending gelijkheidsbeginsel), verduidelijkingen van bestaande bestekbepalingen over gedegradeerde situaties en uitzonderlijke winteromstandigheden (reeds voorzien in het oorspronkelijke bestek), en louter informatieve documenten zonder impact op de prijzen. Het eerste onderdeel was niet ernstig. In het tweede onderdeel betoogde NV D. dat de prijzen van NV K. en NV G. abnormaal laag waren. De NMBS wierp op dat NV D. voor geen enkel perceel als tweede was gerangschikt — de puntenverschillen bedroegen 38,61 en 31,62 punten voor percelen 1 en 3, en 19,82 en 19,9 punten voor percelen 4 en 7. Bovendien bleek uit de vertrouwelijke stukken dat de NMBS wel degelijk een prijsonderzoek had verricht. Het tweede onderdeel kon niet worden aangenomen. In het derde onderdeel stelde NV D. dat NV K. en NV G. zodanig vervlochten waren dat zij als één inschrijver moesten worden behandeld, waardoor het maximum van drie percelen per inschrijver was overschreden. Ook dit onderdeel was niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang — NV D. was voor geen enkel perceel als tweede gerangschikt. De vordering werd verworpen. NV D. werd verwezen in de kosten: 200 euro rolrecht, 26 euro bijdragen en 770 euro rechtsplegingsvergoeding aan de NMBS. De tussenkomende partijen droegen het rolrecht van 300 euro voor hun tussenkomst, elk voor de helft.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest illustreert de ruime onderhandelingsvrijheid van een aanbestedende entiteit in de speciale sectoren. Aanpassingen aan meetstaten en verduidelijkingen van bestaande bestekbepalingen tijdens de BAFO-fase schenden het gelijkheidsbeginsel niet als ze aan alle inschrijvers worden meegedeeld en zij de kans krijgen een aangepaste offerte in te dienen. Een vraag om prijsdetaillering aan alle inschrijvers is een legitiem prijsonderzoek en impliceert niet dat het bestek onduidelijk is. Het arrest bevestigt ook de strenge belangvereiste: een inschrijver die voor geen enkel perceel als tweede is gerangschikt, kan de abnormaliteit van de winnende prijzen of de vervlechting van winnende inschrijvers niet nuttig aanvechten. Ten slotte herinnert het arrest aan het risico van obscuri libelli: een verward en ontoegankelijk verzoekschrift wordt deels niet-ontvankelijk verklaard.
De les
Als je als aanbestedende entiteit in de speciale sectoren tijdens een onderhandelingsprocedure wijzigingen aanbrengt aan je bestek of meetstaten, zorg dan dat je die aan alle inschrijvers gelijk meedeelt en hen de kans geeft een aangepaste offerte in te dienen. Verduidelijkingen van bestaande bestekbepalingen zijn in beginsel toegelaten. Als inschrijver: formuleer je middelen helder en specifiek — een verward verzoekschrift riskeert een niet-ontvankelijkheid wegens obscuri libelli. En besef dat je de onregelmatigheid van de winnende offerte alleen nuttig kunt aanvechten als je er zelf beter van wordt — als je voor geen enkel perceel als tweede bent gerangschikt, ontbreekt het je aan belang.
Stel jezelf de vraag
Heb ik de wijzigingen aan mijn opdrachtdocumenten tijdens de onderhandelingen aan alle inschrijvers gelijk meegedeeld — en betreffen ze verduidelijkingen van bestaande bepalingen of wijzigingen die de gelijke mededinging niet verstoren?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →