Verwerping Nederlandstalig college

Intrekking van de bestreden beslissing maakt de schorsingsvordering zonder voorwerp — verkorte afhandeling is geen wettelijk criterium om de rechtsplegingsvergoeding te verminderen

Arrest nr. 263222 · 7 mei 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de gunning van een raamovereenkomst voor archeologiediensten als zonder voorwerp nadat de aanbestedende overheid de bestreden beslissingen heeft ingetrokken, maar kent de verzoekende partij het basisbedrag van 770 euro rechtsplegingsvergoeding toe — het verzoek van de verwerende partij om dat bedrag te verminderen wegens verkorte afhandeling wordt afgewezen omdat de drie wettelijke criteria voor vermindering limitatief zijn en verkorte afhandeling daar niet onder valt.

Wat gebeurde er?

De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) schreef een raamovereenkomst uit voor archeologiediensten voor de periode 2025-2028, met als voorwerp de 'Raamovereenkomst Archeologie 2025-2028' (bestek ALG/2024/1). De opdracht was verdeeld in twee percelen: perceel 1 'Regio West' en perceel 2 'Regio Oost'. Op 26 februari 2025 gunde de VLM beide percelen aan een derde. De NV T. stelde op 19 maart 2025 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen beide gunningsbeslissingen. Bij beschikking van 21 maart 2025 werd de terechtzitting een eerste maal vastgesteld op 9 april 2025. Voordat die terechtzitting plaatsvond, trok de VLM de bestreden gunningsbeslissingen in. De terechtzitting vond uiteindelijk plaats op 23 april 2025 om 14u45. Kamervoorzitter Geert Debersaques bracht verslag uit. Advocaat Théa Ergen verscheen loco advocaat Rika Heijse voor de verzoekende partij en advocaat Elloitt Missault verscheen loco advocaat Pieter Dewaele voor de verwerende partij. Auditeur Thomas Maes gaf een met het arrest eensluidend advies. De Raad stelde vast dat de vordering door de intrekking zonder voorwerp was geworden en bijgevolg niet-ontvankelijk. Vervolgens rees de vraag naar de rechtsplegingsvergoeding. De VLM verzocht ter terechtzitting om de rechtsplegingsvergoeding tot het wettelijk minimum te beperken, omdat de zaak verkort was afgehandeld door de intrekking. De Raad wees dat verzoek af. Artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State somt drie criteria op waarmee de Raad rekening houdt om af te wijken van het basisbedrag: de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, de complexiteit van de zaak, en de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Die opsomming is limitatief — de Raad mag niet op andere gronden afwijken. Verkorte afhandeling door intrekking valt niet onder een van die drie criteria. Bovendien had de raadsman van de verzoekende partij het normale verloop van een UDN-procedure doorlopen: het indienen van de vordering en de vertegenwoordiging op de terechtzitting. De verzoekende partij werd als de in het gelijk gestelde partij beschouwd en kreeg het basisbedrag van 770 euro rechtsplegingsvergoeding toegekend. De VLM werd verwezen in de kosten: een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 770 euro.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest bevestigt twee principes. Ten eerste: wanneer de aanbestedende overheid de bestreden beslissing intrekt na het instellen van een schorsingsvordering, wordt de vordering zonder voorwerp — maar de verzoekende partij wordt beschouwd als de in het gelijk gestelde partij voor de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding. Ten tweede: de drie wettelijke criteria voor vermindering van de rechtsplegingsvergoeding (financiële draagkracht, complexiteit van de zaak, kennelijk onredelijke situatie) zijn limitatief. Een aanbestedende overheid kan niet aanvoeren dat de zaak verkort is afgehandeld door haar eigen intrekking om een verlaging van het basisbedrag te verkrijgen.

De les

Als je als aanbestedende overheid je gunningsbeslissing intrekt nadat een schorsingsvordering is ingesteld, word je verwezen in de kosten — inclusief het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Het feit dat de procedure kort was door je eigen intrekking is geen grond om dat bedrag te verminderen. De drie criteria voor vermindering zijn limitatief en je kunt er geen aan toevoegen.

Stel jezelf de vraag

Ben ik me ervan bewust dat een intrekking van mijn gunningsbeslissing na een UDN-vordering leidt tot een kostenveroordeling — en dat ik het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding niet kan drukken door te verwijzen naar de verkorte afhandeling?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →