Verwerping Nederlandstalig college

Het toelaten van prijskortingen bij combinaties van percelen is geen wezenlijke bestekwijziging — en een trager vergroeningsritme dan de LEZ-regelgeving mogelijk voorschrijft, maakt een offerte niet automatisch onregelmatig

Arrest nr. 264331 · 26 september 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring van de gunning van een opdracht voor de exploitatie en vergroening van geregeld busvervoer (West 1, zestien percelen), omdat (1) het invoeren van een 'combinatiemogelijkheid' voor percelen vanaf de derde bestekversie geen wezenlijke wijziging was maar het louter expliciteren van de bestaande mogelijkheid tot prijskorting bij meerdere percelen op grond van artikel 58 KB speciale sectoren, (2) de offerte van de gekozen inschrijver voor het Gentse perceel niet substantieel onregelmatig was wegens de LEZ-regelgeving — nu de regelgeving uitdrukkelijk in een systeem van individuele toelatingen voorziet voor de periode 2027-2030 en niet vaststaat dat na 2030 geen toelatingen meer mogelijk zijn, (3) de aanbestedende overheid een omstandig prijsonderzoek heeft gevoerd dat het prijsverschil van 36,5% afdoende verklaarde door verschillen in financieringsmodel, infrastructuurkosten en vergroeningsritme, zonder dat een bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen vereist was, (4) de vorming van een tijdelijke maatschap door zeven geselecteerde entiteiten uit dezelfde groep rechtsgeldig was en geen mededingingsbeperkende handeling inhield, en (5) het beweerde belangenconflict in hoofde van de CEO van de moedergroep van de gekozen inschrijver — tevens voorzitter van de sectorfederatie — niet verder kwam dan loutere beweringen en veronderstellingen.

Wat gebeurde er?

De Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn schreef via een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging — als speciale sector op grond van artikel 120 van de wet van 17 juni 2016 — een opdracht uit voor de exploitatie en vergroening van geregeld busvervoer in de regio West 1, oorspronkelijk achttien percelen waarvan er zestien werden gegund. De looptijd bedroeg tien jaar met zes mogelijke verlengingen van één jaar. Maximaal zes percelen konden aan dezelfde inschrijver worden gegund. Twee gunningscriteria: Total Cost of Ownership (80/100) en niet-financieel (20/100, bestaande uit implementatieplan 8, operationeel plan 8 en vergroening 4). 39 kandidaten dienden een aanvraag tot deelneming in, 37 werden geselecteerd, elf dienden een eerste offerte in. Na vier onderhandelingsrondes en vier bestekversies werden de percelen gegund. De verzoekende partij (BV G.C., de zittende dienstverlener) had ingeschreven op percelen 6 (Regio Gent: Gent-Eeklo-Brugge-Zelzate) en 8 (Regio Gent Stad). Voor perceel 6 scoorde de gekozen inschrijver — een tijdelijke maatschap van zeven vennootschappen uit de Hansea-groep — 98/100 tegen 78,57/100 voor de verzoekende partij. Het prijsverschil bedroeg 36,5% (47,6 miljoen versus 65 miljoen euro TCO). De verzoekende partij scoorde maximaal op vergroening (4/4, 100% zero-emissie vanaf aanvang) terwijl de gekozen inschrijver 2/4 scoorde (50% sneller dan het bestek oplegde, maar niet 100% bij aanvang). Vanaf de derde bestekversie werd de mogelijkheid geïntroduceerd om 'combinaties' van percelen in te dienen — waarbij een inschrijver voor twee percelen samen een lagere prijs kon aanbieden dan voor de afzonderlijke percelen, mits hij ook steeds een prijs per individueel perceel opgaf. De verzoekende partij vocht de gunning aan met zes middelen. In het eerste middel betoogde zij dat de combinatiemogelijkheid een verboden wezenlijke wijziging van het bestek was, die grote marktspelers bevoordeelde en de mededinging kunstmatig beperkte. De Raad verwierp dit. Artikel 58 van het KB speciale sectoren staat inschrijvers toe om bij meerdere percelen prijskortingen aan te bieden, tenzij de opdrachtdocumenten dit verbieden. Het initiële bestek bevatte geen dergelijk verbod. De 'combinatiemogelijkheid' was dus het louter expliciteren en aan voorwaarden verbinden van een bestaand recht. Een inschrijver moest altijd per individueel perceel inschrijven — er was geen sprake van een gecombineerde inschrijving in de eigenlijke zin. De prejudiciële vragen werden niet gesteld omdat zij van een verkeerd uitgangspunt vertrokken. In het tweede middel betoogde de verzoekende partij dat de offerte van de gekozen inschrijver voor perceel 6 substantieel onregelmatig was wegens de LEZ-regelgeving in Gent. M3 klasse I-bussen krijgen vanaf 1 januari 2027 niet meer automatisch toegang tot de lage-emissiezone, en de gekozen inschrijver zou vanaf 2031 nog steeds niet 100% zero-emissie rijden. De Raad maakte een onderscheid tussen twee periodes. Voor de periode 2027-2030: het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2023 en het Gentse LEZ-reglement voorzien uitdrukkelijk in hernieuwbare individuele toelatingen voor de betrokken voertuigen, tegen betaling van een retributie. Dat die toelatingen tijdelijk en aan voorwaarden verbonden zijn, maakt de offerte niet onzeker — het gaat om formele voorwaarden waaraan redelijkerwijze kan worden voldaan. Voor de periode vanaf 2031: de verzoekende partij ging ervan uit dat na 31 december 2030 geen toelatingen meer mogelijk zouden zijn, maar het Vlaamse Regeringsbesluit voorziet ook vanaf 2031 in de mogelijkheid van individuele toelatingen (artikel 3, eerste lid, 2°, a), 4)). Het Gentse LEZ-reglement regelt vooralsnog alleen de periode tot 2030, maar is al meermaals gewijzigd en het staat niet vast dat er een volledig verbod komt. Bovendien heeft perceel 6 betrekking op de ruimere regio Gent-Eeklo-Brugge-Zelzate, waardoor een deel van de ritten buiten de LEZ kan worden uitgevoerd. De verwerende partij toonde met haar planningstool aan dat vijf van de twintig 'lopen' buiten de LEZ kunnen vallen. Het derde middel — de onwettigheid van het vergroeningscriterium zelf — steunde op dezelfde premissen als het tweede en werd om dezelfde redenen verworpen. In het vierde middel betwistte de verzoekende partij het prijsonderzoek in drie onderdelen. De Raad stelde vast dat De Lijn een omstandig prijsonderzoek had gevoerd: de inschrijvers hadden een gedetailleerde kostenverklaring bij hun offerte gevoegd, er waren herhaaldelijk prijstoelichtingen gevraagd tijdens de onderhandelingen, en het administratief dossier bevatte financiële analyses en een nota prijsonderzoek. Het prijsverschil van 36,5% werd verklaard door concrete factoren: verschil in financieringsmodel (eigen middelen versus kredietlast), verschil in vergroeningsritme (met impact op de TCO), verschil in infrastructuurkosten en onderhoudspersoneel. Een regressie-analyse toonde dat de gekozen inschrijver ook bij gelijk vergroeningsritme goedkoper bleef. Met slechts twee inschrijvers voor perceel 6 was het geen evident uitgangspunt om de ene offerte als abnormaal te bestempelen. Het vijfde middel betoogde dat de gekozen inschrijver roofprijzen hanteerde, dat de offerte onrealistisch was en dat de gunning aan een tijdelijke maatschap in plaats van een individueel geselecteerde entiteit onwettig was. De Raad verwierp alle onderdelen: de roofprijzengrief steunde op de verworpen premisse van een onzorgvuldig prijsonderzoek; de tijdelijke maatschap bestond uit zeven geselecteerde vennootschappen die alle tot dezelfde groep behoorden; het bestek stond wijziging van de samenstelling toe mits voorafgaande toestemming, en uit de vertrouwelijke stukken bleek dat de eerste offerte al als tijdelijke maatschap was ingediend. Het zesde middel betrof een vermeend belangenconflict: de CEO van de moedergroep was tevens voorzitter van het 'Federaal Comité Geregelde Diensten' van de sectorfederatie die met De Lijn had overlegd. De Raad verwierp dit: de verzoekende partij maakte het risico op favoritisme niet aannemelijk — loutere beweringen en veronderstellingen volstaan niet, en uit het administratief dossier bleek niet dat de contacten de voorafgaande marktconsultatie (artikel 51 wet 17 juni 2016) overstegen. Het lopende BMA-onderzoek deed niet ter zake: de wettigheid wordt beoordeeld op het moment van de beslissing.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest is om meerdere redenen van belang. Ten eerste verduidelijkt het de verhouding tussen de mogelijkheid tot prijskorting bij meerdere percelen (artikel 58 KB speciale sectoren) en het verbod op wezenlijke bestekwijzigingen: het expliciteren en aan voorwaarden verbinden van een bestaand wettelijk recht is geen wezenlijke wijziging, ook niet als het bestek daar aanvankelijk niet uitdrukkelijk naar verwees en de terminologie ('combinatie' in plaats van 'korting') voor verwarring zorgde. Ten tweede biedt het arrest een genuanceerde benadering van de impact van toekomstige milieuregelgeving op de regelmatigheid van offertes bij langlopende opdrachten. De Raad beoordeelt de uitvoerbaarheid niet op basis van een worst-case scenario maar op basis van de regelgeving zoals die bestaat op het moment van de gunning — inclusief overgangsregelingen en het redelijkerwijze te verwachten toekomstig normatief kader. Ten derde bevestigt het arrest dat bij een groot prijsverschil met slechts twee inschrijvers bijzondere omzichtigheid geboden is bij het kwalificeren van een prijs als abnormaal. Een verschil in vergroeningsritme is een legitieme verklaring voor een prijsverschil in het kader van het busvervoer, mits de aanbestedende overheid dit afdoende onderbouwt — ook met een regressie-analyse. Ten vierde illustreert het arrest dat een lopend mededingingsrechtelijk onderzoek door de BMA niet relevant is voor de wettigheidstoetsing van de gunningsbeslissing, die wordt beoordeeld op het moment van het nemen ervan. Ten slotte bevestigt het de hoge drempel voor het aantonen van een belangenconflict: loutere beweringen en veronderstellingen volstaan niet, en de verzoekende partij moet het risico op favoritisme aannemelijk maken met objectieve elementen.

De les

Als aanbestedende overheid bij een opdracht met meerdere percelen: als je de mogelijkheid tot prijskortingen bij combinaties van percelen uitdrukkelijk wilt regelen, doe dat dan bij voorkeur vanaf het begin. Maar zelfs als je dit pas in een latere bestekversie expliciteert, is dat niet automatisch een wezenlijke wijziging — mits het recht tot korting al bestond op grond van artikel 58 KB speciale sectoren en de inschrijvers altijd per individueel perceel moeten inschrijven. Vermijd wel het veelvuldig gebruik van de term 'combinatie' als je in werkelijkheid een kortingsmechanisme bedoelt — dat wekt verwarring. Bij langlopende opdrachten waarvan de uitvoering kan worden beïnvloed door toekomstige regelgeving (zoals LEZ-normen): beoordeel de offerte op basis van het normatief kader zoals het bestaat op het moment van de gunning, inclusief overgangsmaatregelen. Documenteer je prijsonderzoek grondig, ook bij slechts twee inschrijvers — juist dan is een concrete verklaring voor het prijsverschil essentieel. Als inschrijver: als je meent dat een bestekwijziging je benadeelt, vecht die dan tijdig aan. Een vergroeningsvoorsprong levert je punten op bij het vergroeningscriterium, maar vertaalt zich ook in hogere kosten die het prijsverschil mee verklaren — dat is een inherent gevolg van je keuze, geen onwettigheid. Een vermeend belangenconflict moet je aannemelijk maken met objectieve elementen — een verwijzing naar de functie van een bestuurder bij een sectorfederatie volstaat niet als je niet concreet aantoont dat dit de besluitvorming heeft beïnvloed.

Stel jezelf de vraag

Als ik als aanbestedende overheid bij een opdracht in de speciale sectoren met meerdere percelen een bestekwijziging doorvoer die inschrijvers toelaat een prijskorting aan te bieden bij de gunning van meerdere percelen: is dat een loutere explicitering van het bestaande recht onder artikel 58 KB speciale sectoren — of creëer ik daadwerkelijk een nieuwe inschrijvingsmogelijkheid die ertoe had kunnen leiden dat andere kandidaten een offerte hadden ingediend, en die dus als een wezenlijke wijziging kwalificeert?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →