Verwerping Nederlandstalig college

Annulatieberoep tegen gunning design-build-opdracht zwembad Ieper niet-ontvankelijk wegens laattijdigheid – beroepstermijn van zestig dagen begint te lopen vanaf de verzending van de kennisgeving, niet vanaf de ontvangst

Arrest nr. 264517 · 15 oktober 2025 · XIVe kamer

De Raad van State verwierp het annulatieberoep van de tijdelijke maatschap NV A. en BV L. tegen de gunning door AGB Vauban van de overheidsopdracht 'Ontwerp en bouw van een zwembad te Ieper' als niet-ontvankelijk wegens laattijdigheid, omdat de beroepstermijn van zestig dagen krachtens artikel 23 van de wet van 17 juni 2013 begint te lopen vanaf de dag na de verzending van de kennisgeving — in casu 9 februari 2024 — en niet vanaf de ontvangst van de aangetekende brief op 12 februari 2024, waardoor het verzoekschrift dat op 10 april 2024 werd neergelegd één dag te laat was.

Wat gebeurde er?

AGB Vauban (Autonoom Gemeentebedrijf Sport, Cultuur en Recreatie Ieper) schreef een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp het ontwerp en de bouw van een zwembad te Ieper, gegund via een mededingingsprocedure met onderhandeling. Op 4 juli 2022 selecteerde AGB Vauban vier kandidaten om deel te nemen aan de onderhandelingen, waaronder de tijdelijke maatschap bestaande uit NV A. en BV L. (de verzoekende partijen). Op 5 februari 2024 besliste AGB Vauban de opdracht toe te wijzen aan een derde. Op 9 februari 2024 werden de verzoekende partijen in kennis gesteld van deze beslissing per aangetekende brief en per e-mail op dezelfde datum, met bijvoeging van de gunningsbeslissing en het gunningsverslag. De verzoekende partijen ontvingen de aangetekende brief op 12 februari 2024. Het inleidend verzoekschrift werd elektronisch neergelegd op 10 april 2024. De verwerende partij wierp een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens laattijdigheid. Zij stelde dat de beroepstermijn van zestig dagen krachtens artikel 23, §§1 en 2 van de wet van 17 juni 2013 — als lex specialis ten opzichte van artikel 4, §2 van de algemene procedureregeling — begon te lopen op de datum van verzending van de kennisgeving, zijnde 9 februari 2024. De dies a quo (10 februari 2024) niet inbegrepen, was de laatste dag voor het instellen van het beroep 9 april 2024, zodat het verzoekschrift van 10 april 2024 laattijdig was. De verzoekende partijen betoogden dat de termijn pas begon te lopen bij de ontvangst van de aangetekende brief op 12 februari 2024, met verwijzing naar artikel 23, §1, tweede lid van de wet van 17 juni 2013 (bij niet-gelijktijdige zendingen begint de termijn vanaf de dag van de laatste verzending), naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de Rechtsbeschermingsrichtlijnen (het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat de termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de benadeelde kennis had of moest hebben van de gestelde schending, HvJ eVigilo C-538/13), en naar artikel 4, §1 van de algemene procedureregeling. De Raad van State volgde het auditoraatsverslag en oordeelde dat artikel 23, §1 van de wet van 17 juni 2013, gelezen in samenhang met Verordening 1182/71 (waarnaar artikel 68 van de wet van 17 juni 2013 verwijst voor de berekening van termijnen), bepaalt dat de termijn begint te lopen vanaf de kennisgeving. Krachtens artikel 3, eerste lid van Verordening 1182/71 wordt de dag waarop de gebeurtenis plaatsvindt die de termijn doet ingaan, niet bij de termijn inbegrepen. De kennisgeving die de termijn doet ingaan, is de verzending van de aangetekende brief op 9 februari 2024. De termijn ving aan op 10 februari 2024 en de laatste dag om beroep in te stellen was 9 april 2024. Het verzoekschrift werd neergelegd op 10 april 2024, dus buiten de termijn van zestig dagen. Dat uit het e-tracker systeem van bpost bleek dat de zending pas op 12 februari 2024 aan de verzoekende partijen werd overhandigd, deed daaraan geen afbreuk. Het beroep was niet-ontvankelijk ratione temporis. De verzoekende partijen vroegen ook de opheffing van de vertrouwelijkheid van bepaalde stukken uit het administratief dossier, maar de Raad oordeelde dat dit niet noodzakelijk was voor de oplossing van het geschil. De kosten (400 euro rolrecht, 24 euro bijdrage en 770 euro rechtsplegingsvergoeding) werden ten laste van de verzoekende partijen gelegd, elk voor de helft.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest bevestigt dat de beroepstermijn van zestig dagen in overheidsopdrachten krachtens artikel 23 van de wet van 17 juni 2013 begint te lopen vanaf de dag na de verzending van de kennisgeving, niet vanaf de ontvangst ervan door de benadeelde inschrijver. De wet van 17 juni 2013 vormt een lex specialis ten opzichte van de algemene procedureregeling bij de Raad van State. De berekening geschiedt overeenkomstig Verordening 1182/71, waarnaar artikel 68 van de wet van 17 juni 2013 verwijst. Het argument dat het doeltreffendheidsbeginsel uit de rechtspraak van het Hof van Justitie vereist dat de termijn pas begint bij de kennisname (ontvangst), wordt niet gevolgd: de kennisgeving in de zin van de wet is de verzending. Dit betekent dat de dagen tussen verzending en ontvangst van de aangetekende brief ten laste van de inschrijver vallen — een verschil van slechts enkele dagen kan fataal zijn.

De les

De beroepstermijn van zestig dagen in overheidsopdrachten begint te lopen op de dag na de verzending van de kennisgeving (de aangetekende brief), niet op de dag na de ontvangst ervan. De dies a quo wordt niet meegerekend. Tel nauwkeurig: de datum van verzending door de aanbestedende overheid is bepalend, niet de datum waarop de aangetekende brief bij u wordt afgeleverd. Een verschil van enkele dagen kan het beroep niet-ontvankelijk maken.

Stel jezelf de vraag

Als inschrijver: weet je wanneer de aangetekende brief met de kennisgeving van de gunningsbeslissing werd verzonden — niet wanneer je hem hebt ontvangen? Heb je de beroepstermijn berekend vanaf de dag na de verzending? Als aanbestedende overheid: heb je de verzendingsdatum van de kennisgeving goed gedocumenteerd, zodat je bij een betwisting de laattijdigheid van een beroep kunt aantonen?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →