Schorsing Franstalig college

Stratec tegen de SOFICO: wie een prijsverantwoording verkeerd leest, kan de offerte niet wegens substantiële onregelmatigheid weren — gunning van mobiliteitsraamovereenkomst aan Sweco geschorst

Arrest nr. 267683 · 17 september 2026 · VIe kamer (kortgeding)

De Raad van State schorst bij uiterst dringende noodzakelijkheid de beslissing van de SOFICO om de goedkoopste offerte van Stratec voor een raamovereenkomst mobiliteitsadvies nietig te verklaren en de opdracht aan Sweco te gunnen, omdat de SOFICO uit Stratecs prijsverantwoording ten onrechte had afgeleid dat haar eenheidsprijzen niet op de vermoedelijke hoeveelheden van de inventaris steunden — een feitelijke vergissing die de beslissing onderuit haalt, nu die op de samenloop van twee even zware grieven rustte.

Wat gebeurde er?

De SOFICO, de Waalse maatschappij voor de aanvullende financiering van infrastructuur, maakte op 2 december 2025 in het Bulletin der Aanbestedingen en het Publicatieblad van de EU een raamovereenkomst bekend voor ‘socio-economische, milieu- en technische bijstand op het vlak van mobiliteit en vervoer’: externe experts die de SOFICO op afroep helpen om mobiliteitsbeleid uit te werken en uit te voeren. De opdracht verliep via een openbare procedure, volgens bestek SOF-25-ECOTRANS, met de prijs als enig gunningscriterium. Op 16 januari 2026 kwamen vier offertes binnen: de NV Stratec voor 108.750,00 euro, de BV Sweco voor 170.440,00 euro, de NV Tractebel Engineering voor 242.564,97 euro en de combinatie Traject-TML voor 256.200,00 euro, telkens exclusief btw. Op 27 februari 2026 gunde de SOFICO de opdracht aan Stratec. Op 18 maart 2026 mailde Sweco haar verbazing over de bijzonder lage prijs van Stratec, waarna de SOFICO haar gunningsbeslissing op 27 maart 2026 introk. Op 8 april 2026 vroeg zij Stratec om al haar prijzen te verantwoorden, met bijzondere aandacht voor 8 van de 12 posten van de inventaris. Stratec antwoordde binnen de termijn, op 20 april 2026, met een document dat de aangeduide posten verantwoordde. Op 6 juli 2026 vroeg de SOFICO aan Sweco om de geldigheid van haar offerte tot 31 juli 2026 te verlengen, wat Sweco op 8 juli zonder voorbehoud deed. Op 13 juli 2026 besliste de raad van bestuur van de SOFICO dat de offerte van Stratec substantieel onregelmatig was en gunde hij de opdracht aan Sweco. Stratec kreeg die beslissing per e-mail op 28 juli en per aangetekende brief op 5 augustus 2026. De SOFICO verweet de offerte twee gebreken: de percentages algemene kosten en winst verschilden van post tot post (volgens de SOFICO in strijd met artikel 28 KB Plaatsing), en de eenheidsprijzen zouden niet berekend zijn op de vermoedelijke hoeveelheden van de inventaris, maar op ‘de hypothese van een werkelijk verbruik van de posten dat verschilt van wat in die inventaris is voorzien’. Stratec vorderde op 19 augustus 2026 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad van State (VIe kamer in kort geding, kamervoorzitter David De Roy, met eensluidend advies van eerste auditeur Muriel Vanderhelst) behandelde enkel het derde onderdeel van het tweede middel, over het tweede gebrek. Eerst las de Raad de motivering: daaruit bleek niet dat elk gebrek op zichzelf de vergelijkbaarheid van de offertes aantastte. Beide grieven waren dus even zwaar en het was hun samenloop die de nietigheid droeg. Vervolgens verwierp de Raad de stelling van de SOFICO dat Stratec een kennelijke beoordelingsfout moest aantonen: het ging niet om een appreciatie, maar om een feitelijke vaststelling die Stratec betwistte. En die vaststelling was fout. Uit een lezing van het hele document van 20 april 2026, en niet enkel van de passages die de SOFICO aanhaalde, bleek dat Stratec haar prijzen wel degelijk op de vermoedelijke hoeveelheden van de opdrachtdocumenten had verantwoord. Haar beschouwingen over een ‘contractuele’ en een ‘economische’ logica, met een berekening op andere hoeveelheden, stonden er enkel ‘ter informatie en aanvullend’, om de houdbaarheid van de offerte te bevestigen. Of die aanvulling nuttig of relevant was voor een prijsverantwoording, deed er niet toe; de SOFICO had zich trouwens niet over de normaliteit van de prijzen uitgesproken. Het middel was ernstig; de andere onderdelen en middelen, waaronder de grief over de variërende percentages algemene kosten en winst, hoefde de Raad niet meer te onderzoeken. De SOFICO wees geen nadelige gevolgen van een schorsing aan. De Raad schorste de beslissing van 13 juli 2026, beval de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest, hield de offertes, de mail van Sweco en de prijsverantwoording van Stratec vertrouwelijk en hield de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan.

Waarom doet dit ertoe?

Het arrest raakt aan een scenario dat in de praktijk vaak voorkomt: een concurrent klaagt over een lage prijs, de aanbesteder trekt zijn gunning in, vraagt een prijsverantwoording en verklaart de offerte daarna nietig — niet omdat de prijzen abnormaal zijn, maar omdat de verantwoording zelf onregelmatigheden zou blootleggen. De Raad van State legt hier twee belangrijke grenzen. Ten eerste: wat de aanbesteder uit een prijsverantwoording afleidt, is een feitelijke vaststelling, geen appreciatie. De rechter toetst die dus volledig op juistheid, niet marginaal op kennelijke onredelijkheid. Een verantwoording moet in haar geheel gelezen worden; wie enkele zinnen uit hun context licht om te besluiten dat de prijzen op andere hoeveelheden steunen dan de inventaris, riskeert een feitelijke vergissing. Ten tweede: als een beslissing op meerdere grieven steunt, moet de motivering duidelijk maken of elk ervan op zich volstaat. Doet ze dat niet, dan worden de grieven als even zwaar beschouwd en volstaat het dat er één wegvalt om de hele beslissing onderuit te halen. Dat is hier gebeurd: over de variërende percentages algemene kosten en winst — de grief die op het eerste gezicht het zwaarst leek — heeft de Raad zich niet eens moeten uitspreken. Opvallend is ook dat de SOFICO zich nooit over de normaliteit van de prijzen had uitgesproken, terwijl daar de hele heropening van de procedure om draaide.

De les

Als inschrijver: verantwoord uw prijzen bij een vraag op grond van artikel 36 KB Plaatsing strikt op de hoeveelheden van de inventaris. Aanvullende scenario’s of ‘economische’ lezingen kunnen uw dossier versterken, maar markeer ze uitdrukkelijk als bijkomstig, zodat niemand eruit kan afleiden dat uw offerte op andere hoeveelheden steunt. Wordt uw offerte toch geweerd, ga dan na of de aanbesteder een feit vaststelt dan wel een appreciatie maakt — een feitelijke vergissing is veel makkelijker aan te tonen dan een kennelijke beoordelingsfout. Als aanbesteder: lees een prijsverantwoording in haar geheel, en beoordeel ze in de eerste plaats op waar ze voor dient: de normaliteit van de prijzen. Wilt u een offerte nietig verklaren op basis van meerdere gebreken, motiveer dan uitdrukkelijk dat en waarom elk gebrek op zichzelf de vergelijkbaarheid van de offertes aantast. Anders volstaat één onhoudbare grief om de hele beslissing te laten schorsen.

Te onthouden

  • Of een prijsverantwoording op andere hoeveelheden steunt dan de inventaris, is een feitelijke vaststelling die de Raad van State volledig op juistheid toetst, niet een appreciatie die enkel op kennelijke onredelijkheid wordt getoetst.
  • Een prijsverantwoording moet in haar geheel worden gelezen, niet aan de hand van losse citaten.
  • Berekeningen ‘ter informatie en aanvullend’ op andere hoeveelheden maken een offerte niet onregelmatig zolang de prijzen zelf op de vermoedelijke hoeveelheden zijn verantwoord.
  • Blijkt uit de motivering niet dat elk van meerdere grieven op zichzelf de nietigheid draagt, dan zijn ze even zwaar en volstaat het dat er één wegvalt.
  • De Raad onderzocht de grief over per post variërende percentages algemene kosten en winst (artikel 28 KB Plaatsing) niet; die vraag blijft open.
  • De prijsverantwoording van de inschrijver bleef op grond van artikel 26 van de wet van 17 juni 2013 vertrouwelijk.
  • Schorsing met onmiddellijke tenuitvoerlegging; kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aangehouden.

Waarop letten

  • Het onderscheid tussen een feitelijke vaststelling en een appreciatie in de motivering van een wering.
  • De formulering van aanvullende scenario’s in een prijsverantwoording.
  • De verhouding tussen meerdere grieven in één beslissing: zelfstandig of samen dragend?
  • De intrekking van een gunningsbeslissing na een klacht van een concurrent over een lage prijs, en het vervolg dat de aanbesteder eraan geeft.
  • De vraag of de aanbesteder zich na een prijsverantwoording ook over de normaliteit van de prijzen uitspreekt.
  • De verlenging van de geldigheidsduur van de offerte van de beoogde begunstigde tijdens een lange heroverweging.

Stel jezelf de vraag

Steunt uw prijsverantwoording uitsluitend op de vermoedelijke hoeveelheden van de inventaris, en zijn alternatieve berekeningen duidelijk als aanvullend gemarkeerd? Verantwoordt u alle prijzen waarvoor de aanbesteder uitleg vraagt, en niet alleen de posten die hij uitdrukkelijk aanduidt? Als uw offerte wordt geweerd: gaat het om een feitelijke vaststelling die u kunt weerleggen met de stukken, of om een appreciatie die enkel marginaal wordt getoetst? Als aanbesteder: hebt u de prijsverantwoording volledig gelezen, en niet enkel de passages die uw conclusie ondersteunen? Vermeldt uw beslissing per gebrek waarom het op zichzelf de vergelijkbaarheid van de offertes aantast? Hebt u zich, na een vraag om prijsverantwoording, ook effectief uitgesproken over de normaliteit van de prijzen?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →