Verwerping Franstalig college

Rondpunt La Fourche in Marche-en-Famenne: een ‘afwijkende’ prijs volgens het prijzenbureau is nog geen abnormale prijs — Socogetra en TRBA vangen bot tegen de SOFICO

Arrest nr. 267695 · 18 september 2026 · VIe kamer (kortgeding)

De Raad van State weigert de gunning door de SOFICO van de wegenwerken aan het rondpunt La Fourche op de N4 in Marche-en-Famenne aan Ecodream en Entreprises Hydrogaz bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen: dat het prijzenbureau vijf posten als ‘afwijkend’ had aangeduid, verplichtte de aanbesteder niet om de procedure voor abnormale prijzen van artikel 36 KB Plaatsing op te starten, zolang hij in de gunningsbeslissing zelf concreet uitlegde waarom die prijzen normaal waren — en dat deed hij, onder meer omdat de meeste posten verwaarloosbaar waren.

Wat gebeurde er?

De SOFICO, de Waalse maatschappij die bijkomende infrastructuurinvesteringen financiert, schreef op 17 februari 2026 met Europese bekendmaking een opdracht voor werken uit: ‘N4 – Marche-en-Famenne: aanleg van het rondpunt La Fourche, de ventweg en de Pirire-afrit’ (referentie SOF-MI-O8.08.02-26-260), via een openbare procedure. Zeven inschrijvers dienden een offerte in, onder wie de NV Socogetra en de NV TRBA samen, en de tijdelijke handelsvennootschap Dubois Dawance Travaux – Entreprises Hydrogaz. Omdat de NV Ecodream de NV Dubois Dawance Travaux had overgenomen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 april 2026, met uitwerking op 1 oktober 2025), aanvaardde de SOFICO dat Ecodream haar plaats als inschrijver innam. Op 13 juli 2026 gunde de SOFICO de opdracht aan Ecodream en Entreprises Hydrogaz. Voor het prijsonderzoek had zij het prijzenbureau geraadpleegd, dat vijf posten als ‘afwijkend’ markeerde: de posten 69 en 79 (afvoer van gewapend beton- en natuursteenafval), 101 (grondwerken voor buizen), 116 (onderfundering type 2) en 126 (bouw van een ankerlandhoofd). De diensten van de Waalse administratie (SPW Mobilité et Infrastructure, directie wegen Luxemburg), die de SOFICO technisch bijstaan, analyseerden die posten en verklaarden de lage prijzen onder meer doordat de begunstigde over een eigen erkend sorteercentrum beschikt, en doordat de meeste posten verwaarloosbaar zijn (rond 1 % van de offerteprijs). Post 126 woog wel door (bijna 2 % van de offerteprijs), maar lag hoger dan gemiddeld en werd aanvaard als prijs voor ‘een weinig courant werk’, met een precies berekende hoeveelheid die geen speculatie toelaat. De totaalprijs week minder dan 15 % af van het gemiddelde. Socogetra en TRBA, op de hoogte gebracht bij brief van 4 augustus 2026, vorderden op 20 augustus 2026 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Hun middel: de SOFICO had afwijkende prijzen vastgesteld en had de begunstigde dus moeten ondervragen volgens artikel 36 KB Plaatsing, en haar motieven waren bovendien kennelijk onredelijk. De Raad van State, VIe kamer in kort geding (voorzitster Florence Piret, met eensluidend advies van auditeur Philippe Nicodème), volgt hen niet. Het prijsonderzoek verloopt in twee stappen: eerst het verplichte nazicht van artikel 35, waarbij de aanbesteder een ruime appreciatiebevoegdheid heeft, en pas bij een vermoeden van abnormale prijzen de verantwoordingsprocedure van artikel 36. Een ‘afwijkende’ prijs volgens het prijzenbureau is een statistische indicator binnen de eerste stap, geen juridische kwalificatie van schijnbare abnormaliteit. De gunningsbeslissing verwees ook uitdrukkelijk naar de artikelen 33 tot 35, niet naar artikel 36, en het prijzenbureau had zelf geconcludeerd dat de offerte ‘zonder vraag om prijsverantwoording’ kon worden aanvaard. Het verwaarloosbare karakter van de posten 69, 79, 101 en 116 bleek uit het vertrouwelijke stuk B3bis; de aanbesteder hoefde zijn methode om dat te bepalen niet verder toe te lichten. De grief over post 126 berustte op de verkeerde lezing dat die prijs abnormaal laag zou zijn, en was bovendien onontvankelijk wegens obscuri libelli. De verzoekers brachten na inzage van het administratief dossier nog een nieuw middel aan via een ‘uitbreidend verzoekschrift’. Dat stuk is in de procedure niet voorzien en geldt enkel ter informatie, maar het nieuwe middel zelf was ontvankelijk omdat het steunde op stukken die pas later bekend werden, vooraf was aangekondigd en ter zitting volledig kon worden besproken. Inhoudelijk faalde het: de stukken B3bis (20 maart 2026), B4 (advies van het prijzenbureau, 2 april 2026), B3 (vergelijkende prijstabel van de zeven offertes, 27 april 2026) en het verslag van nazicht van de offertes van 28 april 2026 tonen een concreet prijsonderzoek, en de beslissing steunde op een eigen motivering van de SPW-diensten, niet op een verwijzing naar het advies van het prijzenbureau. Grieven die pas ter zitting voor het eerst opdoken, zonder schriftelijke aankondiging, werden geweerd. De vordering werd verworpen. Socogetra en TRBA dragen de rolrechten van 400 euro, de bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro voor de SOFICO; de tussenkomende partijen betalen hun tussenkomstrecht van 300 euro.

Waarom doet dit ertoe?

Inschrijvers die een gunning aanvechten, grijpen graag naar het prijsonderzoek: als het prijzenbureau posten van de concurrent als ‘afwijkend’ aanduidt, lijkt de stap naar ‘de aanbesteder had verantwoording moeten vragen’ klein. Dit arrest trekt de grens scherp. Het onderscheid tussen de twee stappen van het prijsonderzoek is beslissend: een statistische afwijking signaleert alleen dat een post nader bekeken moet worden in de eerste stap (artikel 35); pas als de aanbesteder na dat nazicht zelf een vermoeden van abnormaliteit heeft, moet hij de verantwoordingsprocedure van artikel 36 starten — en pas dan geldt ook de verplichting om de inschrijver te ondervragen over de naleving van milieu-, sociaal en arbeidsrecht. Woorden als ‘assez bas’, ‘nettement plus bas que le prix estimé’ of ‘s’écarte sensiblement’ in de gunningsbeslissing volstaan niet om dat vermoeden te bewijzen, zolang de beslissing per post uitlegt waarom de prijs toch normaal is. Het arrest bevestigt ook dat het verwaarloosbare karakter van posten (hier rond 1 % van de offerteprijs) op zich een geldig motief is om geen verantwoording te vragen, en dat de aanbesteder de berekening daarvan niet in detail in de beslissing moet opnemen als het dossier ze staaft. Daarmee onderscheidt de Raad deze zaak uitdrukkelijk van arrest nr. 258.616, waar de motivering over het (niet-)verwaarloosbare karakter van een post tekortschoot. Tot slot is er een procedurele les die vaak onderschat wordt: een nieuw middel na inzage van het dossier kan ook in uiterst dringende noodzakelijkheid, mits het tijdig en schriftelijk wordt aangekondigd; wie ter zitting nog nieuwe grieven improviseert, ziet ze geweerd.

De les

Als inschrijver: een ‘afwijkende’ prijs in het advies van het prijzenbureau is geen troefkaart op zich. Wilt u een gunning aanvallen op het prijsonderzoek, toon dan aan dat de aanbesteder zelf een vermoeden van abnormaliteit had (of redelijkerwijze had moeten hebben) en dat zijn verklaringen per post feitelijk fout of kennelijk onredelijk zijn. Lees de motivering nauwkeurig: wie een hoge prijs aanvalt alsof hij abnormaal laag is, verliest de grief meteen. Krijgt u pas na het verzoekschrift inzage in het dossier, kondig een nieuw middel dan vóór de zitting schriftelijk aan aan de tegenpartij en het auditoraat. Als aanbesteder: dit arrest toont hoe een prijsonderzoek er moet uitzien om een kortgeding te doorstaan. Laat het prijzenbureau signaleren, maar analyseer elke gesignaleerde post zelf, met de aard van de prestatie, de uitvoeringsmodaliteiten en het gewicht in de offerteprijs en de raming; bekijk ook de posten die het prijzenbureau niet onderzocht; en neem die analyse als eigen motivering op in de gunningsbeslissing. Verwijs naar de artikelen 33 tot 35 als u geen vermoeden van abnormaliteit hebt, en documenteer het verwaarloosbare karakter van posten in het dossier.

Te onthouden

  • Het prijsonderzoek verloopt in twee stappen: het verplichte nazicht van artikel 35 KB Plaatsing, en enkel bij een vermoeden van abnormale prijzen de verantwoordingsprocedure van artikel 36.
  • Een ‘afwijkende’ prijs volgens het prijzenbureau is een statistische indicator binnen artikel 35, geen juridische kwalificatie van schijnbare abnormaliteit in de zin van artikel 36.
  • De verplichting om de inschrijver te ondervragen over de naleving van milieu-, sociaal en arbeidsrecht geldt pas als de procedure van artikel 36 is opgestart.
  • Het verwaarloosbare karakter van posten (hier rond 1 % van de offerteprijs) is een geldig motief om geen verantwoording te vragen; de berekeningsmethode moet niet in de beslissing staan als het dossier ze staaft.
  • Een grief die een hogere prijs bestrijdt alsof hij abnormaal laag is, mist feitelijke grondslag en is onontvankelijk wegens obscuri libelli.
  • Een ‘uitbreidend verzoekschrift’ is in kort geding geen proceduredocument, maar een nieuw middel kan ontvankelijk zijn als het pas na inzage van het dossier kenbaar werd, vooraf werd aangekondigd en ter zitting volledig debatteerbaar was.
  • Rechtsplegingsvergoeding van 770 euro ten laste van de verzoekers; de tussenkomende partijen dragen hun tussenkomstrecht van 300 euro.

Waarop letten

  • Het onderscheid tussen een statistische afwijking en een vermoeden van abnormaliteit dat de aanbesteder zelf vaststelt.
  • De richting van de afwijking (lager of hoger dan het gemiddelde) bij het formuleren van een grief.
  • Het gewicht van de betwiste posten in de offerteprijs en in de raming.
  • Of de gunningsbeslissing een eigen motivering bevat of louter naar het advies van het prijzenbureau verwijst.
  • De tijdige schriftelijke aankondiging van nieuwe middelen na inzage van het administratief dossier.
  • De aanvaarding van een fusie door overneming van een inschrijver tijdens de procedure (Ecodream in de plaats van Dubois Dawance Travaux) — hier niet betwist.

Stel jezelf de vraag

Weet u dat een prijs die het prijzenbureau als ‘afwijkend’ aanduidt, nog niet betekent dat de aanbesteder verantwoording moet vragen volgens artikel 36 KB Plaatsing? Hebt u gecontroleerd of de gunningsbeslissing per gesignaleerde post uitlegt waarom de prijs normaal is, en of die uitleg feitelijk klopt? Hebt u nagegaan of de betwiste posten verwaarloosbaar zijn in de offerteprijs én in de raming, en hoe het dossier dat staaft? Leest u de motivering correct: gaat het om een prijs die lager of hoger ligt dan het gemiddelde? Als u na inzage van het administratief dossier een nieuw middel wilt aanvoeren: kondigt u het tijdig en schriftelijk aan, zodat het ter zitting volledig besproken kan worden? Als aanbesteder: staat in uw gunningsbeslissing een eigen, concrete prijsanalyse, of verwijst u enkel naar het advies van het prijzenbureau?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →