zonder_voorwerp Franstalig college

COCOF trekt de geschorste schoonmaakopdracht met sociale clausules in: het beroep van Jette Clean valt zonder voorwerp, maar het bestuur draagt de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro

Arrest nr. 255823 · 15 februari 2023 · VIe kamer

Nadat de Raad van State de gunning aan Köse Cleaning van een schoonmaakopdracht met socioprofessionele inschakeling al had geschorst, trok de Franse Gemeenschapscommissie haar gunningsbeslissing in; omdat geen enkele inschrijver die intrekking tijdig aanvocht, werd ze definitief, verloor het annulatieberoep van Jette Clean zijn voorwerp en moest de COCOF, als verkapt vernietigde partij, de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro en de overige kosten dragen.

Wat gebeurde er?

Met een verzoekschrift van 30 juni 2021 vorderde de NV Jette Clean de vernietiging van de beslissing van 28 april 2021 van de leidend ambtenaar van de diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF), waarbij aan de NV Köse Cleaning het eerste perceel werd gegund van de ‘overheidsopdracht voor de schoonmaak van gebouwen in een aanpak van duurzame ontwikkeling en met het oog op socioprofessionele inschakeling en opleiding, en de externe controle van die prestaties’. Bij arrest nr. 251.233 van 8 juli 2021 had de Raad van State de tussenkomst van Köse Cleaning ingewilligd en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst. De tussenkomende partij vroeg de voortzetting van de procedure. Vervolgens trok de COCOF de bestreden beslissing in bij beslissing van 31 augustus 2021, die aan alle inschrijvers werd betekend bij aangetekende brieven, ter post afgegeven op 2 september 2021. Köse Cleaning vorderde tegen die intrekkingsbeslissing zelf de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, maar die vordering werd verworpen bij arrest nr. 251.776 van 7 oktober 2021. Aangezien tegen de beslissing van 31 augustus 2021 binnen de voorgeschreven termijn geen annulatieberoep werd ingesteld, kon de intrekking als definitief worden beschouwd, waardoor het beroep van Jette Clean zijn voorwerp verloor. Eerste auditeur Constantin Nikis stelde op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement een verslag op; bij beschikking van 5 december 2022 werd de zaak in beperkte debatten naar de zitting van 18 januari 2023 verwezen, behoudens als een partij binnen vijftien dagen een terechtzitting zou vragen. Geen enkele partij deed dat. In zijn arrest van 15 februari 2023 oordeelde de VIe kamer (kamervoorzitter wnd. David De Roy) dat er geen uitspraak meer hoefde te worden gedaan en dat de bij arrest nr. 251.233 bevolen schorsing werd opgeheven. Omdat het verdwijnen van de bestreden akte door de intrekking een succédané van een vernietiging is, geldt de COCOF krachtens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten als de in het ongelijk gestelde partij. Sinds de inwerkingtreding op 9 juli 2022 van het ministerieel besluit van 22 juni 2022 bedraagt de basisrechtsplegingsvergoeding 770 euro; wegens de intrekking was geen verhoging verschuldigd. De Raad legde de COCOF een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en de rechtsplegingsvergoeding van 770 euro op; de tussenkomende partij Köse Cleaning draagt enkel het recht van 150 euro dat aan haar tussenkomst is verbonden.

Waarom doet dit ertoe?

Het arrest is een Franstalig tweelingstuk van de Nederlandstalige zaak Hens/VMM van dezelfde dag, maar het voegt drie nuttige verfijningen toe. Ten eerste illustreert het de indexering van de rechtsplegingsvergoeding: sinds 9 juli 2022 is het basisbedrag 770 euro, en bij een intrekking is geen verhoging verschuldigd. Ten tweede toont het dat zelfs de begunstigde van de gunning — hier Köse Cleaning, die was tussengekomen — met lege handen kan eindigen: haar eigen kortgeding tegen de intrekking werd verworpen, en zij draagt enkel haar tussenkomstrecht van 150 euro. Ten derde laat het zien hoe sereen zo’n afronding kan verlopen via beperkte debatten: toen geen partij om een terechtzitting verzocht, kon de Raad de zaak zonder pleidooien afhandelen. De kern blijft dezelfde als in de verwante arresten: wie zijn eigen geschorste gunning intrekt, ruimt de betwisting op maar betaalt de rekening, terwijl de afgewezen inschrijver die de schorsing had verkregen, als de in het gelijk gestelde partij zijn kosten recupereert.

De les

Verkrijgt u als afgewezen inschrijver de schorsing van een gunning en trekt de aanbesteder daarna zijn beslissing in, dan eindigt uw beroep ‘zonder voorwerp’ maar wint u op de twee punten die tellen: de betwiste opdracht is van de baan en u recupereert uw rechtsplegingsvergoeding (het geïndexeerde basisbedrag van 770 euro) en uw kosten. Reageert u niet op een ordonnantie in beperkte debatten, dan beslist de Raad zonder zitting — laat die termijn van vijftien dagen dus niet ongebruikt verstrijken als u toch wilt pleiten. Bent u de begunstigde die is tussengekomen, reken er dan niet op dat uw tussenkomst u beschermt tegen de intrekking: u kunt enkel uw eigen tussenkomstrecht van 150 euro recupereren. Bent u aanbesteder, dan blijft de boodschap dat een geschorste gunning intrekken legitiem is om de procedure recht te zetten, maar dat u daarvan de geïndexeerde kosten draagt.

Te onthouden

  • De COCOF trok haar gunning van 28 april 2021 in bij beslissing van 31 augustus 2021, betekend aan alle inschrijvers op 2 september 2021; bij gebrek aan een tijdig annulatieberoep werd de intrekking definitief en verloor het beroep zijn voorwerp.
  • De bij arrest nr. 251.233 van 8 juli 2021 bevolen schorsing werd opgeheven.
  • De intrekking geldt als een succédané van een vernietiging: de COCOF is krachtens artikel 30/1 de in het ongelijk gestelde partij.
  • Kostenregeling: rolrecht 200 euro, bijdrage 20 euro en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 770 euro voor Jette Clean; de tussenkomende partij Köse Cleaning draagt enkel haar tussenkomstrecht van 150 euro.
  • De zaak werd in beperkte debatten afgehandeld zonder terechtzitting, omdat geen enkele partij daarom verzocht; eerste auditeur Constantin Nikis stelde het verslag op.

Waarop letten

  • De geïndexeerde basisrechtsplegingsvergoeding (770 euro sinds 9 juli 2022) en het ontbreken van een verhoging bij intrekking.
  • Dat ook de begunstigde-tussenkomende partij met lege handen kan eindigen en haar tussenkomstrecht van 150 euro draagt.
  • De termijn van vijftien dagen om na een ordonnantie in beperkte debatten alsnog een terechtzitting te vragen.
  • Het verschil tussen de formele afronding (geen uitspraak, opheffing van de schorsing) en het praktische resultaat (de opdracht moet worden overgedaan).

Stel jezelf de vraag

Weet u dat de basisrechtsplegingsvergoeding sinds 9 juli 2022 770 euro bedraagt en dat bij een intrekking geen verhoging verschuldigd is? Beseft u dat een door de overheid ingetrokken gunning uw beroep zonder voorwerp maakt, maar u als de in het gelijk gestelde partij uw kosten laat recupereren? Hebt u, als begunstigde-tussenkomende partij, er rekening mee gehouden dat u enkel uw tussenkomstrecht van 150 euro draagt en dat uw eigen kortgeding tegen de intrekking kan worden verworpen? En hebt u, na een ordonnantie in beperkte debatten, tijdig — binnen vijftien dagen — een terechtzitting gevraagd als u wilde pleiten?

Gerelateerde arresten

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →