Verwerping UDN-vordering: stopzetting vereenvoudigde onderhandelingsprocedure publicitaire schuilhuisjes Sint-Truiden gerechtvaardigd wegens vermoedelijk foutieve raming — voortschrijdend inzicht geen willekeur
De Raad van State verwierp de UDN-vordering van BV B. tegen de stopzetting door de Stad Sint-Truiden van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure voor het leveren, plaatsen, onderhouden en exploiteren van publicitaire schuilhuisjes en borden (2026-2036), omdat de verwerende partij op grond van voortschrijdend inzicht — de enige ingediende offerte maakte duidelijk dat de raming vermoedelijk niet op de juiste wijze was bepaald — de procedure op niet-onredelijke noch willekeurige wijze had stopgezet teneinde de vrije mededinging te garanderen.
Wat gebeurde er?
De gemeenteraad van Sint-Truiden keurde op 26 mei 2025 een overheidsopdracht goed voor het leveren, plaatsen, onderhouden en exploiteren van publicitaire schuilhuisjes en borden op het grondgebied van Sint-Truiden, voor de periode 2026-2036 (120 maanden). De stad wenste het aantal schuilhuisjes te verhogen tot 41 en voorzag in 10 tweezijdige afficheborden en 4 digitale reclameborden. In ruil voor het exclusieve recht om publiciteit te voeren, betaalde de opdrachtnemer een jaarlijkse vergoeding aan de stad. De totale inkomsten werden geraamd op 120.000 euro exclusief btw, op basis waarvan werd gekozen voor een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking (artikel 41, §1, 1°, wet 17 juni 2016 — drempel 221.000 euro). Er werd slechts één offerte ingediend, door BV B. Het college van burgemeester en schepenen besliste op 10 oktober 2025 om de procedure stop te zetten omdat de inschrijvingsprijs hoger was dan de toegestane grens van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure, en om een open procedure op te starten. De gemeenteraad sloot zich hierbij aan op 20 oktober 2025. BV B. stelde op 10 november 2025 een UDN-vordering in met een enig middel dat de schending aanvoerde van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016, het verbod van willekeur en de materiëlemotiveringsplicht. Volgens BV B. was het motief van de stopzetting feitelijk onjuist: de raming van 120.000 euro betrof de totale inkomsten (de vergoeding die de opdrachtnemer aan de stad betaalt), en haar inschrijvingsprijs — die hoger was — bevestigde juist dat de raming correct was. De drempel voor de vereenvoudigde procedure was dus niet overschreden. De Raad van State volgde deze redenering niet. Hij stelde vast dat de bestreden beslissing zo moest worden begrepen dat de inschrijvingsprijs aangeboden door BV B. duidelijk had gemaakt dat de grens om de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure aan te wenden niet op de toegestane manier was bepaald. Uit artikel 7 van het KB van 18 april 2017 volgt immers dat bij de berekening van de waarde van een raamovereenkomst wordt uitgegaan van de geraamde maximale waarde exclusief btw voor de totale duur, en dat de raming van opdrachten voor diensten de totale vergoeding van de dienstverlener omvat — niet enkel de inkomsten voor de aanbestedende overheid. De verwerende partij had dus op grond van voortschrijdend inzicht geconcludeerd dat de raming vermoedelijk niet correct was bepaald en dat de vereenvoudigde procedure mogelijks op onwettige wijze was aangewend, met een beperking van de mededinging tot gevolg. Prima facie kon het de verwerende partij niet worden verweten dat zij, bij dat inzicht, de procedure stopzette om de vrije mededinging te garanderen — een essentieel kernbeginsel van het overheidsopdrachtenrecht. De Raad merkte wel op dat de motivering van de bestreden beslissing duidelijker en pedagogischer had kunnen worden geformuleerd. Een argument dat BV B. op de terechtzitting aanvoerde — namelijk dat de verwerende partij niet aantoonde hoe de waarde van de opdracht werd onderzocht — werd niet aanvaard omdat dit een nieuwe wending was die niet uit het verzoekschrift bleek. Het verzoekschrift bevatte overigens geen samenvatting van de grieven zoals vereist door artikel 2, §1, van het algemeen procedurereglement. Het enig middel was niet ernstig en de vordering werd verworpen. BV B. werd verwezen in de kosten.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest is van belang voor de ramingsproblematiek bij concessie-achtige opdrachten. Wanneer een aanbestedende overheid de raming baseert op de inkomsten die zij ontvangt (de vergoeding van de opdrachtnemer aan de overheid) in plaats van op de totale waarde van de opdracht voor de dienstverlener (artikel 7 KB 18 april 2017), kan de gekozen plaatsingsprocedure achteraf onwettig blijken. Het arrest bevestigt dat voortschrijdend inzicht — ook na ontvangst van offertes — een deugdelijk motief kan zijn om een procedure stop te zetten op grond van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016. De stopzetting wordt dan niet als willekeur beschouwd maar als een maatregel om de vrije mededinging te garanderen. Het arrest nuanceert ook de motiveringsplicht: een motivering die duidelijker had kunnen worden geformuleerd, is niet noodzakelijk een ondeugdelijke motivering, zolang de essentie van het motief kan worden begrepen in het licht van het administratief dossier.
De les
Als aanbestedende overheid: baseer de raming van een opdracht niet op de inkomsten die je ontvangt, maar op de totale vergoeding van de dienstverlener (artikel 7 KB 18 april 2017). Wanneer na ontvangst van offertes blijkt dat de raming vermoedelijk foutief was en de gekozen procedure daardoor mogelijk onwettig, is stopzetting op grond van artikel 85 een deugdelijk motief — formuleer dat motief echter zo duidelijk mogelijk. Als inschrijver: een hogere offerte dan de raming kan de aanbestedende overheid tot het inzicht brengen dat de ramingsmethode niet correct was, waarna zij de procedure mag stopzetten en heropstarten via een andere procedure. De discretionaire bevoegdheid van de aanbestedende overheid bij stopzetting is ruim, zolang zij niet willekeurig te werk gaat.
Stel jezelf de vraag
Als aanbestedende overheid: heb je de raming van de opdracht gebaseerd op de correcte waarde (totale vergoeding dienstverlener, niet enkel inkomsten voor de overheid)? Rechtvaardigt de gekozen raming de gekozen plaatsingsprocedure? Is de motivering van een eventuele stopzetting voldoende duidelijk geformuleerd? Als inschrijver: begrijp je dat een stopzetting op grond van voortschrijdend inzicht over de raming een ruime discretionaire bevoegdheid is die moeilijk aanvechtbaar is?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →