Schorsing gunning schoonmaak stadsdiensten en politie Ieper 2026-2031: stereotype stijlformule dat prijsverantwoording gedetailleerd is en gebaseerd op ABSU-UGBN-loon volstaat niet als motivering aanvaarding abnormaal lage prijs — bijkomende motieven in nota kunnen formele motiveringsplicht niet remediëren — ook algemeen prijsonderzoek tweede gerangschikte voor perceel 6 onzorgvuldig
De Raad van State schorste de gunning van percelen 4, 5 en 6 van de schoonmaakopdracht voor de stadsdiensten en lokale politie van Ieper 2026-2031 aan de NV K., omdat de motivering van de aanvaarding van de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver — wiens totaalprijzen 22 tot 27% onder het gemiddelde lagen — zich beperkte tot een voor alle percelen identieke stereotype stijlformule dat de verantwoording (zeer) gedetailleerd is en dat de kostprijs een uurtarief is gebaseerd op het ABSU-UGBN-loon, hetgeen op het eerste gezicht niet volstaat als formele motivering in een fraudegevoelige sector waar de prijsbepaling complex is, terwijl voor perceel 6 ook het algemeen prijsonderzoek ten aanzien van de tweede gerangschikte inschrijver onzorgvuldig bleek.
Wat gebeurde er?
De stad Ieper schreef een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp de schoonmaak van de gebouwen van de verschillende stadsdiensten en lokale politie voor de periode 2026-2031. De opdracht was opgesplitst in zeven percelen. Enkel de percelen 4 (Cultuurcentrum Perron), 5 (Site Neerstad) en 6 (AGB Vauban – sportinfrastructuur) waren in het geding. De plaatsingsprocedure was een openbare procedure. De opdracht was een opdracht tegen prijslijst, waarbij de inschrijvers per perceel een eenheidsprijs per ruimte moesten opgeven, in beginsel per maand en in enkele gevallen per beurt of per week. De gunning gebeurde op basis van de economisch meest voordelige offerte met als criteria prijs (ten minste 50% van het totaal gewicht) en kwaliteit. De schoonmaaksector is een fraudegevoelige sector. Voor de percelen 4, 5 en 6 dienden telkens vier inschrijvers een offerte in: de verzoekende partij (NV I.), de NV K. (de gekozen inschrijver), de NV J. en de NV L. De totaalprijzen van de NV K. lagen voor de drie percelen aanzienlijk onder het gemiddelde: 22,12% voor perceel 4 (78.591,55 euro bij een gemiddelde van 100.907,94 euro), 26,92% voor perceel 5 (118.109,28 euro bij een gemiddelde van 161.619,52 euro) en 22,50% voor perceel 6 (163.783,20 euro bij een gemiddelde van 211.326,12 euro). Overeenkomstig artikel 36, § 4, van het KB van 18 april 2017 — dat van toepassing is op opdrachten voor diensten in fraudegevoelige sectoren bij openbare procedure met prijs als minstens 50% gewicht — vroeg de verwerende partij op 3 november 2025 aan de NV K. een prijsverantwoording voor de drie percelen. De NV K. bezorgde haar prijsverantwoording op 7 november 2025. Op 19 november 2025 werd het verslag van nazicht opgesteld. Daarin werd de aanvaarding van de prijsverantwoording voor elk van de drie percelen gemotiveerd met een identieke stijlformule: 'De verantwoording is (zeer) gedetailleerd (de kostprijs is een uurtarief gebaseerd op het ABSU-UGBN-loon) en wordt aanvaard.' Deze motivering was niet alleen identiek voor de drie in het geding zijnde percelen, maar ook voor de prijsverantwoordingen van andere inschrijvers voor andere percelen. Op 1 december 2025 besliste het college van burgemeester en schepenen de percelen 4, 5 en 6 te gunnen aan de NV K. De gunningsbeslissing hernam de motivering uit het verslag van nazicht. De verzoekende partij was voor de percelen 4 en 5 als tweede gerangschikt en voor perceel 6 als derde, na de NV K. en de NV J. Op 17 december 2025 stelde de verzoekende partij een vordering in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In een enig middel, opgesplitst in drie onderdelen per perceel, voerde zij de schending aan van de artikelen 81 en 84 van de wet van 17 juni 2016, de artikelen 35 en 36 van het KB van 18 april 2017, de zorgvuldigheidsplicht, de formele en materiële motiveringsplicht, artikel 5, 9°, van de wet van 17 juni 2013 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. De verwerende partij wierp een exceptie van niet-ontvankelijkheid op voor perceel 6, stellende dat de verzoekende partij slechts als derde was gerangschikt. De Raad van State verwierp deze exceptie: het derde onderdeel van het middel had niet alleen betrekking op het prijsonderzoek ten aanzien van de gekozen inschrijver, maar ook op dat ten aanzien van de tweede gerangschikte inschrijver. Indien het middel ernstig werd bevonden, kon dit ertoe leiden dat de offertes van zowel de eerste als de tweede gerangschikte inschrijver aan een nieuw prijsonderzoek werden onderworpen. Over de grond oordeelde de Raad van State dat de stereotype stijlformule op het eerste gezicht aan de verzoekende partij geen voldoende duidelijkheid verschafte over de motieven waarom de prijsverantwoording was aanvaard. De formule was identiek voor alle percelen en alle inschrijvers, en beperkte zich tot het vermelden dat de verantwoording (zeer) gedetailleerd was en dat de kostprijs een uurtarief was gebaseerd op het ABSU-UGBN-loon. De bijkomende motieven die de verwerende partij in haar nota met opmerkingen aanvoerde — met verwijzing naar uren per m², loonkosten, sociale lasten, overhead, materiaal en winstmarge — konden dit gebrek niet remediëren. Deze motieven waren immers niet terug te vinden in enig stuk van het administratief dossier en de verwerende partij toonde niet aan dat ze enige rol hadden gespeeld bij het nemen van de bestreden beslissing. Het verweer dat de verwerende partij het zakengeheim niet mocht schenden, werd niet gevolgd. Artikel 10 van de wet van 17 juni 2013 sluit niet uit dat een meer concrete inhoudelijke beoordeling kan worden opgesteld en medegedeeld die rekening houdt met het vertrouwelijk karakter van bepaalde gegevens maar ook met de verplichting uitdrukkelijk en afdoende te motiveren. Over de materiële beoordeling stelde de Raad van State vast dat de gekozen inschrijver Excel-bestanden had voorgelegd die de prijzen opsplitsten in detail. Hieruit bleek dat het uurtarief terugkoppelde naar het minimumuurloon per functiecategorie vastgesteld door het Paritair Comité voor de Schoonmaak (PC 121). Uit diezelfde Excel-bestanden bleek echter ook dat verminderingen van sociale lasten werden opgegeven waarmee de gekozen inschrijver aangaf te beschikken over gesubsidieerde contracten, zonder dat dit nader werd toegelicht in de prijsverantwoording. Bovendien was in de inventaris niet gevraagd om een uurtarief als eenheidsprijs op te geven maar een prijs per ruimte per maand. Het uurtarief was dus slechts een onderdeel van een complex geheel. Noch de bestreden beslissing noch de stukken van het administratief dossier deden blijken dat de verwerende partij ook de overige prijscomponenten — zoals het aantal werkuren en de productiviteit — op hun waarde had getoetst. Specifiek voor perceel 6, waarvoor de verzoekende partij als derde was gerangschikt, oordeelde de Raad van State dat het verslag van nazicht weliswaar poneerde dat alle offertes waren onderworpen aan een algemeen prijsonderzoek, maar dat de motieven op grond waarvan de verwerende partij van oordeel zou zijn geweest dat de prijzen van de tweede gerangschikte inschrijver (NV J.) niet schijnbaar abnormaal waren, niet bleken uit de stukken van het dossier. Dit klemt des te meer omdat de prijs van de NV J. ver onder het offertebedrag van de vorige gunning lag ondanks een indexering van 24,57% op de personeelskosten. Het enig middel was ernstig. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de gunning van de percelen 4, 5 en 6 aan de NV K. werd bevolen. De auditeur gaf een eensluidend advies.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest is van groot belang voor de schoonmaaksector en meer algemeen voor alle fraudegevoelige sectoren. Het verduidelijkt dat een stereotype stijlformule — hoe vaak ook gebruikt in de praktijk — niet volstaat als formele motivering van de aanvaarding van een prijsverantwoording bij abnormaal lage prijzen. De Raad van State eist dat de aanbestedende overheid inhoudelijk standpunt inneemt over de verstrekte prijsverantwoording en dat dit standpunt veruitwendigd wordt in de gunningsbeslissing. Het arrest preciseert ook dat het zakengeheim geen vrijbrief is om de motivering achterwege te laten: artikel 10 van de wet van 17 juni 2013 laat toe een concrete inhoudelijke beoordeling op te stellen die rekening houdt met vertrouwelijkheid én met de motiveringsplicht. Bijkomend bevestigt het arrest dat in de schoonmaaksector het uurtarief slechts één onderdeel is van de prijsbepaling en dat ook de overige componenten — werkuren, productiviteit, sociale lasten — moeten worden getoetst. Ten slotte onderstreept het arrest dat het algemeen prijsonderzoek van artikel 35 KB 18 april 2017 daadwerkelijk moet worden gevoerd en niet mag worden afgedaan met een loutere stijlclausule.
De les
Als aanbestedende overheid in een fraudegevoelige sector: motiveer de aanvaarding van een prijsverantwoording inhoudelijk en concreet. Een stereotype stijlformule dat de verantwoording gedetailleerd is en gebaseerd op het ABSU-UGBN-loon volstaat niet. Neem in de gunningsbeslissing — met inachtneming van het zakengeheim — een onderbouwd standpunt in over alle relevante prijscomponenten: niet alleen het uurtarief, maar ook de werkuren, productiviteit en de aard van eventuele verminderingen van sociale lasten. Bewaar je bijkomende motieven niet voor de nota met opmerkingen — motieven die niet in het administratief dossier staan, kunnen de formele motiveringsplicht niet remediëren. Voer ook het algemeen prijsonderzoek daadwerkelijk uit en documenteer het in het dossier. Als inschrijver: als de motivering van de aanvaarding van een abnormaal lage prijs zich beperkt tot een stereotype formule, is dit een sterk aanknopingspunt voor een UDN-vordering. Let ook op de offertes van andere inschrijvers: als hun prijzen eveneens vragen oproepen, kun je ook het prijsonderzoek ten aanzien van de tweede gerangschikte betwisten om je belang bij percelen waarvoor je niet als tweede bent gerangschikt te onderbouwen.
Stel jezelf de vraag
Als aanbestedende overheid: bevat je gunningsbeslissing een inhoudelijke beoordeling van de prijsverantwoording of enkel een stereotype stijlformule? Heb je naast het uurtarief ook de werkuren, productiviteit en sociale lasten getoetst? Staan je motieven in het administratief dossier of enkel in je hoofd? Heb je het algemeen prijsonderzoek daadwerkelijk gevoerd en gedocumenteerd? Als inschrijver: beperkt de motivering van de aanvaarding van de abnormaal lage prijs zich tot een stijlformule? Zijn er aanwijzingen dat het prijsonderzoek niet verder is gegaan dan het uurtarief?
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →