Schorsing Nederlandstalig college

Schorsing gunning controlebureau Parking Loodswezen Antwerpen: inconsistente toepassing selectiecriterium technische bekwaamheid — verzoekende partij niet geselecteerd wegens ontbreken verzekeringsattesten bij referenties, terwijl gekozen inschrijver voor één referentie evenmin bewijs van daadwerkelijk afgesloten tienjarige verzekering kon voorleggen

Arrest nr. 265363 · 12 januari 2026 · XIVe kamer

De Raad van State schorste de gunning van de opdracht voor het aanstellen van een controlebureau voor Parking Loodswezen in Antwerpen aan de BV B., omdat de aanbestedende overheid het selectiecriterium inzake technische bekwaamheid — het bewijs dat bij referentieprojecten daadwerkelijk een tienjarige aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten — inconsistent had toegepast door de verzoekende partij niet te selecteren wegens het ontbreken van verzekeringsattesten, terwijl uit het administratief dossier bleek dat ook de gekozen inschrijver voor één van haar twee referenties geen bewijs kon voorleggen van een daadwerkelijk afgesloten verzekering nu de werken nog niet waren beëindigd en enkel een intentieverklaring van de verzekeringsmakelaar was bijgebracht.

Wat gebeurde er?

Het Autonoom Gemeentebedrijf Mobiliteit en Parkeren Antwerpen schreef een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp het aanstellen van een controlebureau voor Parking Loodswezen — een nieuw te bouwen ondergrondse parkeergarage met drie niveaus en ongeveer 400 parkeerplaatsen onder de Kaaien ter hoogte van het Loodswezen in Antwerpen. Het project werd gekenmerkt door een uitdagende locatie in de nabijheid van de Waaslandtunnel, het Loodswezengebouw (erfgoedwaarde) en de Boeienloods. De controleopdracht omvatte de technische controle tijdens ontwerp en uitvoering met het oog op het afsluiten van een tienjarige aansprakelijkheidsverzekering. Als plaatsingsprocedure werd gekozen voor de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. Het bestek vereiste voor de technische bekwaamheid minimaal twee referenties met betrekking tot gelijkaardige opdrachten, namelijk de bouw van een ondergrondse parking of andere complexe bouwput in de nabijheid van naburige constructies, waarbij een attest werd afgeleverd voor het afsluiten van een verzekering tienjarige aansprakelijkheid voor werken met stabiliteitswerken van minimum 5.000.000 euro excl. btw. Drie inschrijvers dienden een offerte in: de verzoekende partij (NV S., een controlebureau met meer dan 90 jaar ervaring), de BV B. (de gekozen inschrijver) en een derde inschrijver. Na analyse bleek dat geen enkele inschrijver bij de oorspronkelijke offerte de vereiste verzekeringsattesten had bijgevoegd. De aanbestedende overheid bood alle inschrijvers op grond van artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 de mogelijkheid om alsnog bewijsstukken aan te leveren, zoals een ondertekende verklaring van de opdrachtgever of verzekeraar, of een kopie van de afgesloten polis. De gekozen inschrijver bezorgde voor haar eerste referentie een kopie van de afgesloten polis met eindverslag, en voor haar tweede referentie een ondertekende verklaring van de verzekeringsmakelaar via dewelke de verzekering zou worden afgesloten. De verzoekende partij legde verschillende documenten voor: intentieverklaringen van meerdere verzekeringsmaatschappijen die bevestigden dat zij de tienjarige aansprakelijkheid konden dekken voor werken gecontroleerd door de verzoekende partij, tevredenheidsattesten van opdrachtgevers die bevestigden dat de controleopdracht naar behoren was uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van de tienjarige verzekering, en een verklaring op eer. De verzoekende partij benadrukte dat zij als controlebureau de technische controles uitvoert maar niet verantwoordelijk is voor het daadwerkelijk afsluiten van de polis door de opdrachtgever. Na een tweede verzoek om bijkomende bewijsstukken werden de documenten van de verzoekende partij nog steeds als onvoldoende beschouwd. In het verslag van nazicht van 28 november 2025 werd de verzoekende partij niet geselecteerd: zij had op basis van de voorgelegde documentatie niet aangetoond dat de vereiste verzekeringsattesten werden afgeleverd. Op 2 december 2025 gunde het directiecomité de opdracht aan de BV B. De verzoekende partij stelde op 17 december 2025 een UDN-vordering in. De verwerende partij wierp een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, stellende dat de verzoekende partij — zelfs indien geselecteerd — nooit de eerste plaats kon behalen gelet op het prijsverschil. De Raad van State verwierp deze exceptie: het middel betrof de selectiefase, en een onwettigheid daarin tast de geldigheid van de procedure aan nog vóór de beoordeling op basis van de gunningscriteria. Over de grond oordeelde de Raad van State dat de aanbestedende overheid inderdaad over een beoordelingsruimte beschikt bij de interpretatie van de selectiecriteria. De verwerende partij koos voor een strikte lezing: de inschrijver moest aantonen dat bij de referentieprojecten daadwerkelijk een tienjarige aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten. Deze lezing moest dan logischerwijze consistent en op gelijke wijze worden toegepast voor alle offertes. Uit het vertrouwelijk stuk 5 van het administratief dossier bleek echter dat voor één van de twee referenties van de gekozen inschrijver nog geen verzekering was afgesloten. De werken bij dat referentieproject waren gefaseerd en nog niet beëindigd, het eindverslag kon dus nog niet zijn afgeleverd. Bij die referentie was een attest van de verzekeringsmakelaar gevoegd waarin deze attesteerde dat de activiteiten van de gekozen inschrijver als controleorganisme 'bestemd zijn' voor het afsluiten van de tienjarige verzekering. Dit was in wezen niet anders dan de intentieverklaringen die de verzoekende partij had voorgelegd, die door de verwerende partij als onvoldoende waren beschouwd. De aanbestedende overheid had dus haar eigen bestekvoorwaarden niet consistent toegepast: de ene inschrijver werd wel geselecteerd en de andere niet, terwijl beiden voor minstens één referentie in dezelfde situatie verkeerden. De Raad van State oordeelde dat dit op het eerste gezicht artikel 66, § 1, van de wet van 17 juni 2016, het patere legem-beginsel en de verplichting tot gelijke behandeling van artikel 4 schond. Het eerste middel was ernstig. De schorsing werd bevolen. Het tweede middel hoefde niet meer te worden onderzocht. De auditeur gaf een eensluidend advies.

Waarom doet dit ertoe?

Dit arrest illustreert een fundamenteel beginsel van het overheidsopdrachtenrecht: een aanbestedende overheid die voor een bepaalde interpretatie van haar selectiecriteria kiest, moet deze consequent en gelijk toepassen op alle inschrijvers. Het arrest toont dat het niet volstaat om in abstracto een rechtmatige lezing van het bestek te hanteren — de toepassing ervan moet in concreto consistent zijn. Het arrest is ook relevant voor de praktijk van controleopdrachten in de bouwsector: de verhouding tussen het controlebureau (dat de technische controles uitvoert) en de opdrachtgever (die de verzekeringspolis afsluit) maakt dat het bewijs van een daadwerkelijk afgesloten verzekering niet volledig in de hand ligt van het controlebureau. Een te strikte eis hieromtrent kan problematisch zijn als zij niet eenduidig wordt toegepast.

De les

Als aanbestedende overheid: pas je selectiecriteria consistent toe op alle inschrijvers. Als je een strikte lezing hanteert voor de ene inschrijver, moet je dezelfde strenge maatstaf hanteren voor de andere. Controleer vóór de selectiebeslissing of de bewijsstukken van alle inschrijvers — ook van de beoogde gunningswinnaar — daadwerkelijk voldoen aan dezelfde vereisten. Wees je ervan bewust dat bij opdrachten voor controleorganism het bewijs van een afgesloten verzekeringspolis afhangt van derden (opdrachtgever, verzekeraar) en dat een te strikt bewijs-vereiste problematisch kan zijn als het niet consistent wordt toegepast. Als inschrijver die niet geselecteerd wordt: onderzoek of de gekozen inschrijver aan dezelfde vereisten voldoet. Inconsistente toepassing van selectiecriteria is een sterk middel voor een UDN-vordering.

Stel jezelf de vraag

Als aanbestedende overheid: heb je de selectiecriteria op dezelfde wijze geïnterpreteerd en toegepast voor alle inschrijvers? Voldoet de gekozen inschrijver daadwerkelijk aan dezelfde vereisten die je ten aanzien van de niet-geselecteerde inschrijver hebt aangelegd? Als inschrijver: is er een verschil in de manier waarop de selectiecriteria op jou en op de gekozen inschrijver zijn toegepast?

Over deze databank

De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →