Archief-en-digitaliseringsopdracht: na de UDN-schorsing volgt geen vernietigingsberoep, dus heft de Raad de schorsing op — de Belgische Staat draagt de kosten, de tussenkomende partij haar eigen recht
De Raad van State had de gunning aan derden van de raamovereenkomst voor de archivering en digitalisering van papieren dossiers (CAD/2024/ARCHIEF) bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst; toen de afgewezen inschrijver NV Y. nadien geen verzoekschrift tot nietigverklaring indiende, moest de Raad de schorsing op grond van artikel 17, § 8, vierde lid, van zijn gecoördineerde wetten opheffen, waarbij de Belgische Staat in de kosten van de schorsingsvordering werd verwezen en de tussenkomende partij enkel haar tussenkomstrecht van 150 euro droeg.
Wat gebeurde er?
De Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid besliste om de opdracht voor het sluiten van de ‘raamovereenkomst betreffende de archivering en digitalisering van papieren dossiers’ (CAD/2024/ARCHIEF) aan derden te gunnen. De NV Y., bijgestaan door de advocaten Barteld Schutyser en Gauthier Vlassenbroeck, vorderde op 18 november 2025 de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Bij arrest nr. 265.208 van 16 december 2025 willigde de Raad van State die vordering in: hij schorste de bestreden beslissing en liet tegelijk de NV M. toe tot tussenkomst. Daarna bleef het stil. Artikel 17, § 8, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verplicht de verzoeker om na een UDN-schorsing nog een verzoekschrift tot nietigverklaring in te dienen; gebeurt dat niet, dan moet de Raad de uitgesproken schorsing opheffen. De NV Y. diende geen vernietigingsberoep in. De Raad stelde dat vast en hief de bij arrest nr. 265.208 bevolen schorsing op. Over de kosten oordeelde hij dat de Belgische Staat, als verwerende partij, in de kosten van de schorsingsvordering werd verwezen: een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, verschuldigd aan de NV Y. De tussenkomende partij NV M. werd verwezen in de kosten van haar tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. De zaak werd zonder openbare terechtzitting behandeld en op 22 april 2026 in beraad genomen.
Waarom doet dit ertoe?
Dit arrest is het spiegelbeeld van een UDN-overwinning die niet wordt opgevolgd. De inschrijver had de moeilijkste horde al genomen — de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die zware ontvankelijkheids- en spoedvoorwaarden kent — maar liet daarna de termijn voor het vernietigingsberoep verstrijken. Het gevolg is onverbiddelijk: artikel 17, § 8, vierde lid, dwingt de Raad de schorsing op te heffen, zonder enige nieuwe beoordeling ten gronde. Toch eindigt de inschrijver niet met lege handen. Omdat hij de schorsing had verkregen, blijft de Belgische Staat de in het ongelijk gestelde partij en draagt die de rechtsplegingsvergoeding en de kosten; de begunstigde die was tussengekomen, betaalt enkel het recht dat aan haar tussenkomst is verbonden. Het arrest illustreert ook de drieledige kostenverdeling die in dit soort zaken terugkeert: verzoeker recupereert, de aanbesteder betaalt, en de tussenkomende partij draagt haar eigen tussenkomstrecht. Voor de praktijk is de boodschap dubbel: bewaak de termijn van het annulatieberoep, en weet dat een opgeheven schorsing de kostenbalans niet omdraait.
De les
Verkrijgt u als inschrijver een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, plan dan onmiddellijk het vervolg: dien binnen de termijn een verzoekschrift tot nietigverklaring in als u de gunning definitief van tafel wilt. Laat u die termijn voorbijgaan, dan heft de Raad de schorsing ambtshalve op — een verplichting, geen inhoudelijke nederlaag. Uw rechtsplegingsvergoeding blijft wel overeind: omdat u de schorsing won, blijft de aanbesteder de verliezende partij. Bent u aanbesteder, dan toont dit arrest dat een geschorste gunning u tot de in het ongelijk gestelde partij maakt voor de kosten, ook als de inschrijver het vernietigingsberoep niet voortzet. En bent u de begunstigde die tussenkomt, hou er rekening mee dat u in elk geval het tussenkomstrecht van 150 euro draagt, ongeacht de afloop.
Te onthouden
- De Raad had de gunning geschorst bij arrest nr. 265.208 van 16 december 2025 en de NV M. tot tussenkomst toegelaten.
- Omdat de NV Y. daarna geen vernietigingsberoep indiende, hief de Raad de schorsing op grond van artikel 17, § 8, vierde lid, ambtshalve op.
- De Belgische Staat werd als verwerende partij verwezen in de kosten van de schorsingsvordering: rolrecht 200 euro, bijdrage 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro voor de NV Y.
- De tussenkomende partij NV M. draagt enkel het tussenkomstrecht van 150 euro.
Waarop letten
- De termijn voor het annulatieberoep na een UDN-schorsing — die bepaalt of de schorsing standhoudt.
- Dat de opheffing automatisch volgt uit het ontbreken van een vernietigingsberoep, zonder herbeoordeling.
- De drieledige kostenverdeling: verzoeker recupereert, aanbesteder betaalt, tussenkomende partij draagt haar eigen recht.
Stel jezelf de vraag
Hebt u na uw UDN-schorsing de termijn voor het vernietigingsberoep genoteerd, zodat de schorsing niet ambtshalve wordt opgeheven? Weet u dat de opheffing van de schorsing een wettelijke verplichting voor de Raad is en geen nieuwe beoordeling ten gronde inhoudt? Beseft u dat u, ondanks de opheffing, als de in het gelijk gestelde partij uw rechtsplegingsvergoeding van 770 euro recupereert? Als tussenkomende begunstigde: houdt u er rekening mee dat u sowieso het tussenkomstrecht van 150 euro draagt?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →