Geen beoordelingsmethode in het bestek, toch geen schorsing: wie 0,21 punten achter de tweede plaats strandt, moet meer aanbrengen dan twijfel
De Raad van State verwerpt de vordering van de BV M. tegen de gunning van een Vlaamse raamovereenkomst voor assessment en development centers, omdat een beoordelingsmethode niet in het bestek hoeft te staan maar ook uit de gunningscriteria zelf kan blijken, en omdat de verzoekster niet verder kwam dan algemene bedenkingen bij haar scores, ondanks een achterstand van slechts 0,21 punten op de tweede gekozen inschrijver.
Wat gebeurde er?
Het Agentschap Overheidspersoneel van de Vlaamse Gemeenschap schreef via een openbare procedure een raamovereenkomst uit ‘voor het ondersteunen van in-, door- en uitstroom van personeelsleden van de Vlaamse overheid: assessment en development centers’. Het zwaarste gunningscriterium was ‘kwaliteit van de aanpak en dienstverlening’ (60 %), opgesplitst in vier subcriteria van elk 15 %: een selectieprogramma op basis van voorgelegde cases, een samenwerkingsmodel van maximaal vijf pagina’s, een overzicht van de ingezette testinstrumenten met hun wetenschappelijke waarde, en een diversiteitsbeleid met SMART-doelstellingen. Per subcriterium somde het bestek ‘niet-limitatieve aspecten’ op, maar een uitdrukkelijke methode om punten toe te kennen stond er niet in — iets wat de Vlaamse overheid in haar nota ook toegaf. Zeven inschrijvers dienden een offerte in. Op 23 juli 2026 gunde het agentschap de raamovereenkomst aan de twee best gerangschikte inschrijvers, onder wie de NV P. De BV M. eindigde net daarachter, op 0,21 punten van de tweede plaats, en vorderde op 10 augustus 2026 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De NV P. kwam tussen. In één middel bracht de BV M. drie grieven aan. Ten eerste was er geen beoordelingsmethode voor het kwaliteitscriterium, of minstens niet vóór de opening van de offertes vastgelegd. Kamervoorzitter Geert Debersaques stelde dat de methode niet verplicht in de opdrachtdocumenten moet staan: ze kan besloten liggen in de omschrijving van de criteria zelf. Uit het gunningsverslag bleek een omstandige beschrijvende evaluatie per subcriterium, met sterktes en aandachtspunten die in scores werden vertaald. Dat de scores dicht bij elkaar lagen, bewees niet dat er geen methode was. Voor de stelling dat de methode pas na de opening werd bepaald, bracht de verzoekster geen enkel concreet gegeven aan. Ten tweede zou de woordelijke beoordeling niet toelaten te begrijpen hoe de scores tot stand kwamen. De BV M. haalde één voorbeeld aan, met passages uit haar eigen offerte om te tonen dat de evaluatie ‘kort door de bocht’ was, maar maakte geen vergelijking met de beoordeling van de andere offertes; de krappe marge van 0,21 punten toonde volgens de Raad hoogstens haar belang aan, geen onwettigheid. Ten derde zou het agentschap haar offerte onzorgvuldig hebben gelezen, maar ook dat bleef bij een bewering zonder begin van bewijs. Terloops stelde de Raad nog vast dat de BV M. haar offerte integraal vertrouwelijk wou houden, terwijl ze er zelf passages uit in haar verzoekschrift had overgenomen; voor die passages had ze de vertrouwelijkheid dus zelf opgeheven, wat ze ter zitting erkende. Het middel was niet ernstig. De Raad liet de tussenkomst toe en verwierp de vordering. De BV M. draagt het rolrecht van 200 euro, de bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro voor de Vlaamse Gemeenschap; de NV P. draagt haar eigen rolrecht van 150 euro.
Waarom doet dit ertoe?
Het arrest zet twee dingen helder op een rij. Juridisch: een aanbesteder is niet verplicht om de beoordelingsmethode van een kwalitatief criterium in het bestek op te nemen. Een goed uitgewerkte omschrijving van subcriteria en aandachtspunten kan volstaan, zolang het gunningsverslag toont dat de offertes systematisch aan die elementen zijn getoetst. Dat het transparanter zou zijn om de methode vooraf bekend te maken, noemt de Raad ‘loutere opportuniteitskritiek’. Procedureel: wie een gunning aanvecht, draagt de bewijslast en moet concreet worden. Twijfel zaaien over het bestaan van een methode, wijzen op dicht bij elkaar liggende scores of één passage uit de eigen offerte citeren, is niet genoeg. De Raad zegt uitdrukkelijk dat hij in een UDN-procedure niet ‘het werk van de verzoekende partij’ gaat overdoen. Precies omdat de marge hier zo klein was — 0,21 punten — is het arrest een harde herinnering dat een nipte nederlaag op zich geen argument is. Wat telt, is een vergelijkende kritiek: waarom kreeg mijn offerte voor hetzelfde element minder dan die van de concurrent, terwijl de beoordeling iets anders zegt?
De les
Inschrijvers: een verzoekschrift tegen een kwaliteitsbeoordeling wint u niet met algemene twijfel. Leg uw eigen beoordeling naast die van de gekozen inschrijvers, per subcriterium, en wijs concreet aan waar de score niet strookt met de woordelijke motivering of waar de aanbesteder van onjuiste feiten uitging. Beperk uw kritiek niet tot het verzoekschrift om er ter zitting nieuwe criteria bij te halen: dat komt te laat. En wie zijn offerte vertrouwelijk wil houden, citeert er niet zelf uit in zijn verzoekschrift. Aanbesteders: u hoeft geen puntenrooster in het bestek op te nemen, maar dan moet het gunningsverslag het werk doen. Beschrijf per subcriterium sterktes en aandachtspunten, laat de score daar logisch uit volgen en zorg dat de vergelijking tussen de offertes leesbaar is. Een helder gunningsverslag was hier de reden waarom de gunning overeind bleef.
Te onthouden
- De beoordelingsmethode van een gunningscriterium hoeft niet in de opdrachtdocumenten te staan; ze kan besloten liggen in de omschrijving van de gunningscriteria zelf.
- In beginsel mag de methode niet na de opening van de offertes worden vastgesteld, maar wie dat beweert, moet het met concrete gegevens aannemelijk maken.
- Dat scores binnen een beperkte vork liggen, bewijst niet dat er geen beoordelingsmethode werd toegepast.
- De globale score per subcriterium moet in verhouding staan tot de woordelijke motivering van voor- en nadelen; meer vraagt de materiële motiveringsplicht niet.
- Kritiek op de eigen score moet vergelijkend zijn: de beoordeling van één offerte wordt niet ‘in vacuo’ gelezen.
- Een klein puntenverschil (hier 0,21) onderbouwt het belang bij een grief, niet de onwettigheid van de puntentoekenning.
- Wie passages uit zijn als vertrouwelijk aangeduide offerte in het verzoekschrift opneemt, heft voor die passages zelf de vertrouwelijkheid op.
Waarop letten
- Kwalitatieve criteria met ‘niet-limitatieve aspecten’ maar zonder puntenrooster: het gunningsverslag wordt dan het centrale stuk.
- Nieuwe kritiek ter zitting op criteria die niet in het verzoekschrift stonden, wordt als laattijdig geweerd.
- De bewijslast rust op de verzoekende partij, en de Raad gaat in een UDN-procedure niet zelf op zoek naar onregelmatigheden.
- Raamovereenkomsten met meerdere deelnemers: de grens tussen gekozen en afgewezen inschrijvers kan op enkele tienden van een punt liggen.
Stel jezelf de vraag
Als inschrijver: kunt u per subcriterium aanwijzen waar uw score niet in verhouding staat tot de woordelijke beoordeling, in vergelijking met de gekozen inschrijvers? Hebt u concrete aanwijzingen dat de beoordelingsmethode pas na de opening van de offertes werd bepaald, of is het een vermoeden? Hebt u al uw grieven, voor alle betwiste criteria, in het verzoekschrift zelf opgenomen? Citeert u in uw verzoekschrift uit stukken waarvan u tegelijk de vertrouwelijkheid vraagt? Als aanbesteder: zou een buitenstaander uit uw gunningsverslag kunnen afleiden hoe de beschrijvende evaluatie zich vertaalt in de toegekende punten?
Gerelateerde arresten
Over deze databank
De Raad van State is het hoogste administratieve rechtscollege in België. Bij geschillen over overheidsopdrachten — van de gunning van een contract tot de uitsluiting van een inschrijver — is het de Raad van State die in laatste instantie oordeelt. De arresten in deze databank zijn door TenderWolf samengevat in begrijpelijke taal, met concrete lessen voor inschrijvers en aanbestedende overheden. Bekijk alle arresten →